Categorieën
Fictie

Bunkerlows

In een bruine hoek aan de voorkant van het café, bij het grote raam aan de straatkant, zit een man alleen aan tafel. Vóór hem staat een halve liter pils en een bakje met noten. Hij draagt een gitzwarte jas met capuchon strak om zijn hoofd getrokken.
Zijn doorzichtige, witgrijze huid geeft licht vanonder de donkere capuchon. Zijn ogen kun je niet zien want zijn hoofd wijst naar de tafel. Hij tikt steeds met zijn linkerhand tegen een bierviltje dat daarmee telkens een halve pirouette draait tussen zijn wijsvinger en het tafelblad. Aandachtig luistert hij naar het gesprek van twee mannen aan de bar die hem de rug geven.
‘Er ligt een Duits fortuin begraven onder het Haagse duinzand!’ roept Harrie met zijn flaasje zo strak beet dat zijn gerimpelde hand wit wegtrekt. Zijn dunne, grijze haren staan gepikeerd overeind. Blauwe ogen kijken, nog kleiner en troebeler dan normaal, naar zijn gesprekspartner, Bartolemus, die net als Harrie in de zeventig is. Maar die luistert niet, hij zit in zijn eigen roes.
‘Luister Harrie, ik heb een raadsel… ik heb een aangeschoten lesbische poes…’. Harrie laat zijn eigen idee geagiteerd even varen – ‘Ja?’ – en wil niet weten wat de punchline is van de typische grap die komen gaat.
Bartolemus, die net een slok neemt, heeft iets weg van kabouter Spillebeen. Vast door zijn puntige grijze baart, zijn krakerige hoge stem, en zijn stok dunne benen. Hij glijdt met zijn billoze naad van de barkruk, zet zijn voeten aan de grond. Kabouter kun je misschien beter weglaten want hij torent nu hoog boven Harrie uit zoals hij daar staat. Bartolemus smakt even om de verse slok La Chouffe te laten wegzinken in zijn droge snuit. Het schuim hangt nog in de haren van zijn snor en deels in zijn baard, en vervolgt dan:
‘en mijn lesbische poes… die wil geen kater!’ hij giert en brult van het lachen om zijn zelfbedachte raadsel, slaat zelfs een paar keer met zijn platte hand op het puntige dek van de lekmat op de bar.
Harrie staart droog met zijn kleine troebele ogen voor zich uit.
‘Bartolemus,’ zegt Harrie als zijn vriend is uitgegierd, ‘ik heb plannen met de begraven schatten onder het Haagse duinzand. We gaan de oude bunkers uitgraven en ombouwen tot “bunkerlows”. We brengen ze terug naar hun originele staat en verhuren ze in de zomer aan Duitse toeristen. Mijn vader zou trots zijn als het me lukt. Ooit gebouwd door Duitsers en nu verhuurd aan Duitsers, voor eigen gewin. Een bunkerlow voor de hele familie; oma, vader, moeder en de kinderen. Waar normaal gesproken het mitrailleurnest had gezeten, kunnen we plastic machinegeweren plaatsen zodat de Duitse kinderen lekker met oma een invasie van de geallieerden kunnen naspelen. Dat maakt het concept ook meteen heel educatief’.
Plots beginnen de glazen op de bar te rinkelen, lichten te knipperen. De spanning komt van de man met de zwarte capuchon alleen aan tafel. Harrie, Bartolemus en alle overige gasten zien hoe de man op tafel is gaan staan. Hij heeft geen ogen in zijn lichtgevende, witgrijze gezicht. Alleen uitgeholde gaten. De schaduw komt eerst naar buiten kruipen en daarna als zwarte paarden zijn schemerende holen uit galopperen.
De beweging van zijn hoofd bepaalt de duisternis in de ruimte. De schaduw beweegt mee als een zwarte golf wanneer hij rondkijkt dat alle gasten geschrokken omlaag duiken – met hier en daar een hoge kreet – om de duisternis te ontwijken. Harrie en Bartolemus zitten gebukt op hun kruk. Met strak gesloten ogen pakken de twee vrienden elkaar stevig beet, vrezend voor hun leven.
En de man stapt van de tafel en verlaat het café door de klapdeuren zonder te betalen, neemt de duisternis met zich mee. De twee oude mannen en alle overige gasten komen gestaag weer overeind. Iedereen vraagt zich verwonderd af wat hen zojuist is overkomen.
Maar buiten op straat, voor het grote caféraam, zien ze de mysterieuze man blijven staan, zijn gapende holen gericht naar binnen. Hij strekt zijn witte, dunne tengels voor zich uit, zijn nagels zijn gelig en lang, en stijgt langzaam omhoog, hovert met zijn voeten boven de straatstenen.
Het raam begint plots plastisch te golven. De stoelen en tafels, alle barkrukken in de ruimte vliegen naar de muur, alsof ze worden gegrepen door een krachtige magneet. In de heibel van het moment raakt de poot van een kruk Bartolemus op de slaap, hij zakt bewusteloos naar de grond. Flessen en glazen achter de bar rinkelen van de planken en spatten een voor een uit elkaar. Na een laatste sierlijke golf van boven naar beneden klapt het glas van het caféraam in honderden stukken, die regenen omlaag. De krukken en stoelen, nog geplakt aan de muur, rommelen naar de vloer.
De man in zijn gitzwarte jas zet zijn voeten weer op de straatstenen, en fluit schel op zijn vingers. Een donker paard met rode ogen komt het straatlicht in galopperen. In een sprong bestijgt hij het dier en verdwijnt in de nacht. Bartolemus is inmiddels weer bijgekomen en wrijft onder de bar over zijn slaap. Harrie krabt verdwaasd achter zijn oren en zegt dan tegen zijn vriend:
‘Misschien moet ik het concept over de bunkerlows nog even laten liggen’.