Categorieën
Fictie

Brechtjander Ashkenazi

Brechtjander Ashkenazi

Op weg naar mijn wekelijkse pedofielentherapie heb ik eindelijk de knoop doorgehakt: de eerste maten uit de vierde van Brahms zijn schoner dan al wat ik ooit gehoord, gezien of gevoeld heb. Schoner dan al mijn jeugdlieven en lange weekends tezamen gesmeten. Schoner dan de dood van Adolf en schoner dan het schoonste der kunstwerken van de professioneelste makelij. Ik ben eruit jongens, werkelijk en met alle zekerheid op de wereld staat het vast in die bovenkamer van mij en probeer me niet van het tegendeel te overtuigen of de twijfels vreten mij weer tot in de late uurtjes op. Bespaar mij daarvan alstublieft. Dank bij voorbaat. En daarnaast, een tandarts moet zich met dentale zaken des levens bezig houden, problematiek betreffende het gebit en zijn kwaliteit, niet met openingsmaten die door een bebaarde conservatieveling neergepend zijn in het jaartal achttienhonderdzoveel. De tanden, het eetservies, mijn stiel, mijn ambacht, daar moet ik mee bezig zijn. Die witte knortels, de reden waarom er een diploma aan mijn muur hangt met de woorden ‘Master In De Tandheelkunde’, met hoofdletters en alles om het er allemaal nog eens goed in te hameren. Vijf zware jaren heb ik gestudeerd, geleerd het boormachien te handhaven, tandplak weg te schrapen en de kinderen het sneukelen af te leren. Nu moet ik de theorie in de praktijk omzetten en de hobbyist in mij aan de kant schuiven. Maar ik garandeer het je, die vierde van Brahms, die eerste luttele seconden, een van de knapst gecomponeerde klankmassa’s uit de geschiedenis, oorgasmes gegarandeerd en voor niks, gratuit, kom dat zien, kom dat zien, kom dat horen!

Toen ik weder kwam van de therapie merkte ik een trio duiven op die rustig op een plankier hun koppen tegen de grond aansloegen om de broodkruimels die daar uitgestrooid waren, op te vreten. Een van die duiven deed me herinneren aan een duif die ik in mijn kindertijd eens gezien had. Net als toen had dit beest een groene glans langs de achterkant van zijn nek en was het een opmerkelijk vlezig exemplaar. Na wat getreuzel besloot ik de duif vast te grijpen en in mijn binnenzak te steken, niet voor een of andere goocheltruc waar ik voorbijgangers in de nabije toekomst mee zou kunnen verbazen, maar uit het simpele feit dat er geen mens mij het verbiedt een duifje mee naar huis te nemen om er mee te doen wat ik wil, en dat ik daar van profiteren moet. Eenmaal thuisgekomen liet ik het beest vrijelijk los in mijn woonst en gaf ik hem de naam: ‘Brechtjander’.

Mijn avondmaal bestond uit broccolipuree en cordon bleu, Brechtjander heb ik de korstjes van het brood dat ik als ontbijt at gegeven.
‘Wat jammer dat je geen tanden hebt, anders zou je de duif met het schoonste gebit van hier en omstreken geweest zijn, ongetwijfeld.’ Vertelde ik hem. Nadat ik het beest aangesproken had kwam het naar me toe gevlogen en landde hij naast het bord met korstjes dat ik daar voor hem gezet had.
‘Ik ben ooit eens op een strand geweest waar de zandkorrels enorm waren, absolute joekels waren het, het was niet te geloven wat een zware kanjers van een zandkorrels daar lagen. Ergens in Noord-Frankrijk was het, als ik het me goed herinner.’ Zei ik tegen hem, zonder een antwoord terug te krijgen. Brechtjander was geen praatgrage mondridder, en daar had ik wel vrede mee. Hij communiceerde niet met woorden, noch geluiden, maar met zijn doeningen, zijn lichaam was zijn taal. Wanneer ik hem anekdotes vertelde kon ik afleiden aan de manier van aanstaren of hij het interessant vond of niet: wanneer zijn kop alle kanten op ging wist ik: ik kan maar beter mijn bakkes dicht houden want het boeit meneer niet, wat mag uiteraard, zo weet ik wat, en wat niet mede te delen met hem. Liefde kreeg ik door de simpele geste van de aanwezigheid. Ik wist dat hij goed gezind was en me graag had als hij spontaan naar me toe kwam gevlogen zonder dat ik hem met brood of ander lekkers naar me toe lokte. Door de regelmaat in de uren dat mijn avondmalen plaatsvonden kwam Brechtjander na een week al dagelijks rond zeven uur op de tafel gestrompeld, meestal ook op de plaats waar ik het bord hmet korstjes neerzette. Er zijn weinig dingen zo aangenaam als weten waarom een beest doet wat het doet, en er correct op in kunnen spelen. God bespaar mij de dag dat er geen korstjes meer zijn om om zeven uur op tafel te zetten, alstublieft, meer vraag ik niet.

Brechtjander is en blijft nog steeds een duif, een duif dat je niet trainen kunt zodat het naar de toiletpot vliegt om daar zijn behoefte te lozen. Het duurde niet lang voor mijn interieur nu wit getint was met de kakadrolies van de huisduif, iets dat ik hem absoluut nooit kwalijk nam. Iedere vrijdag nam ik het zeemvel en schuurde de aangekoekte drek van het behangpapier, de stoelleuningen en de schouwgarnituur. Het is wel één keer geweest dat hij recht in mijn casserole erwtensoep had gescheten. ‘Jij lomp achterlijk strontbeest, pas maar op dat ik je niet naar een Mexicaans circus stuur waar de besnorde tacovreters je in kooien stoppen en ze je met gloeiend hete fonduestokken beporren tot je wenst dat je in de duivenhemel zat, jij solipsistische, idiote loebas dat je bent.’
Vervolgens gaf ik hem een draai rond zijn onbestaande oren dat zijn kop er honderden toeren van cirkelde en zijn nek in de knoop zat.
‘Als je je dat nog een keer permitteert serveer ik je met pistachenoten en gekonfijte krieken in een sausje van gember en leg ik een stukje peterselie op je gegaarde karkas, wat denk je daarvan? Lepe schijtert!’
Het duurde drie dagen voor Brechtjander uit schroomheid terug onder mijn ogen wou komen. Kakken doet hij nu in een door hem gekozen hoek in de slaapkamer. Keurig en netjes en zonder teveel geluid te maken zet hij zich daar een paar keer per dag neer en doet er wat gedaan moet worden, zoals een geciviliseerde huisduif dat moet doen, in tegenstelling tot die stadse stinkerds die de kale knikkers van Kroatische toeristen met kamikazekak bekladden.

Er ligt al een week of twee een fijn stukje zwart stof op het hoofd van Brechtjander, wat mij enkel tot deze conclusie leiden kan: Brechtjander is joods. Zoals vele intelligente wezens die de ellende van het bestaan moeten verdragen, koos mijn huisduif voor een religie als hulpmiddel tegen deze last. Het jodendom is zijn bron van zingeving en als respectvol en verantwoordelijk baasje en kameraad steun ik hem daar uiteraard in. Volgende week zaterdag vindt zijn bar mitzvah plaats en ik ben al wat centjes aan de kant aan het schuiven voor een reis naar Israël. Aangezien ik vermoed dat hij nog onwetend is over de problematiek daar, betekent dit dat ik hem daar in zal moeten onderwijzen. Wat er in de jaren dertig en veertig allemaal gebeurt is en wat den Dolf allemaal uitgestoken heeft vertel ik hem later ook nog wel, eerst de hedendaagse miserie. Wat het besnijden betreft hoop ik dat hij daar al fors over nagedacht heeft. Logistiek zie ik het niet zo vlot marcheren maar ik ben van mening dat wanneer iemand zich in een geloofsovertuiging smijt er alles aan gedaan moet worden dit zo realiseerbaar mogelijk te maken, ook in uitzonderlijke gevallen als deze. Tot slot heb ik besloten zijn naam naar Brechtjander Ashkenazi te veranderen, zodat hij zich zo vlug en zo goed mogelijk kan inleven in zijn nieuwe identiteit.

Als zeg ik het zelf, maar de bar mitsvah was een gigantisch succes. Het project dat Brechtjander samen met de rabijn koos bestond uit het instuderen en voordragen van gedichten van Baudelaire en de speech die hij na het zingen van de Hebreeuwse gezangen gaf, was niets meer of minder dan uitmuntend. Ik nodigde mijn moeder en een paar van mijn trouwste cliënteel uit mijn praktijk uit, waarvan er een paar een boel geweldige cadeaus hadden meegebracht. Na de ceremonie was er een receptie met allerlei knabbeltjes waarna een viergangenmenu volgde, met tong in de maderasaus als hoofdschotel en tiramisu als dessert. Er werd veel gedanst en volgens mij heeft het feest na het avondmaal van twee ongelukkige celibaten één dolgelukkig stelletje gemaakt. Maar uiteraard, het belangrijkste van alles blijft natuurlijk Brechtjander en zijn contentement rond de bar mitzvah. Zelden heb ik het beest zo veel energie zien uitstralen als toen. Enkel geluk en zaligheid, trots en fierheid kon ik aflezen uit zijn pareltjes van ogen, wat is hij toch met zijn duivengat in de boter gevallen met mij, nietwaar?

Vandaag is er iets tragisch gebeurt en het simpele meedelen van de feiten geeft mij op dit moment zo’n stevig gevoel van verdriet en tristesse, dat het mij bijna belet dit hier allemaal neer te pennen. In mijn tandartspraktijk wordt er verwacht dat wanneer een familie met kinderen op onderzoek komt, degene die niet aan de beurt zijn, op een rijtje stoelen gaan zitten. Vandaag kwam de familie Schweizhoffer langs: een moeder die meestal amper door de deur geraakt met haar opgestapelde collectie vetrollen, en twee etters van kinderen met snottebellen zo lang en dik dat ze waarschijnlijk al wat ze in hun mond stoppen met een fijn laagje slijm bedekken en zo hun maaltijden altijd extra zoutig naar binnen spelen. Brechtjander besloot ze deze keer te vergezellen, en toen ik net gedaan had met die gigantische mondholte van de moeder te onderzoeken en ze terug op haar stoeltje ging zitten, vond de grootste van die twee pagadders het toch zo komiek om Brechtjander met zijn vuile pollen vast te pakken en hem net op tijd op de stoel te leggen zodat die vuile zak vlees en spekvet zich met haar kwabbenkont op mijn joodse huisduif ging zetten. Voor ik het wist stond madam te krijsen en sprong ze overeind. ‘Tu biest ein schnupfnaze!’ Riep ze haar kleine toe, maar het was te laat. Brechtjander lag al uitgesmeerd over het zitvlak van de stoel, platgewalsd zoals de straatduiven dat op het wegdek zijn. Het zicht ontnam me de energie om de bengel zijn snotneus naar het achterhoofd te meppen en madam Schweizhoffer de deur te wijzen. De tristesse overmande mij zoals het verliezen van een geliefde dat moet doen.

Op de begrafenis waren al mijn trouwe patiënten uitgenodigd en hadden zij hun agenda’s vrij gemaakt om deze uitvaartplechtigheid bij te kunnen wonen. De rabijn was er ook, mijn moeder ook en zelf madam Schweizhoffer was gearriveerd.

‘Vanavond herdenken wij Brechtjander Ashkenazi, duif, huisdier, vogel, vriend. Allen zijn wij in rouw voor dit bijzondere beest, dat zijn baasje toch o zo veel genot en liefde gegeven heeft tijdens zijn veel te korte levensjaren. Te vroeg en met brutaliteit werd hij ons door ongelukkige omstandigheden ontnomen en lang, uitzonderlijk lang zullen wij zo’n ongelooflijk charmante duif als wijlen Brechtjander Ashkenazi in onze harten meedragen. Nu vertoeft hij in de hemel, waar hij zoveel broodkorsten kan eten als zijn klein hartje begeert en waar en wanneer hij goesting heeft, schijten mag. Een onvergetelijk schepsel van god, wiens verhaal ongetwijfeld nog in scholen en voor andere educatieve doeleinden verteld zal worden. Als eerste joodse duif zal hij de geschiedenis in gaan, maar ook als goede boezemvriend van de tandarts die ons hier allemaal bijeengebracht heeft. Ik dank jullie allemaal hartelijk voor uw komst en voor uw stilte. Nu, leg uwe oren te luister voor dit stukje muziek, met verstand uitgekozen door het baasje van Brechtjander, en nu, met rouw en verdriet in het hart opgenomen door al wie op deze bijeenkomst aanwezig is. Ik dank u.

En wanneer de funeraire spreker ophield met deze prachtige woorden mede te delen, klonk de vierde van Brahms, die alle aanwezigen tot absolute stilte bewoog en de tranen nog voller en steviger deed rollen.