Categorieën
Fictie

Bosje

“Waar gaat de reis naartoe?”, zei de man die bij Nieuw-Vennep tegenover me was komen zitten. Dat heb ik weer. “Hoorn Kersenboogerd”, zei ik en keek snel weer naar buiten. Ik had helemaal geen behoefte aan een gesprek en ik hoopte dat mijn nieuwe overbuurman dat begreep. Het leek me een joviale man, dat wel. Ik schatte hem halverwege de vijftig. Hij had donker haar gehad maar zijn kortgeknipte kapsel was nu overwegend grijs. Hoe laat is het? Ik wilde mijn telefoon pakken maar bedacht me dat die nog in de kluis lag op mijn werk. Mijn werk. Alsof ik er al jaren werkte. Ik had het vier hele uren volgehouden en toen had ik pauze. Het zou de langste pauze uit de geschiedenis worden als het aan mij lag. Om de joviale pols tegenover me zat een horloge. Een klassiek horloge. Ik probeerde te zien hoe laat het was. “Gekneusd” zei de man. Toen zag ik pas dat hij twee vingers in het verband had zitten. Hij moet gedacht hebben dat ik naar zijn vingers keek. Hij moet gedacht hebben dat ik zelf allerlei scenario’s zat te bedenken waardoor zijn vingers in het verband terecht waren gekomen. Ik probeerde alleen te zien hoe laat het was. Kut! Wat zou hij denken dat ik had zitten bedenken? Gebeten door een hond? Tussen de deur na een slaande ruzie? Bowlen? “Weet u misschien hoe laat het is?”, vroeg ik hem. “Klamboektoe”, zei de man. “Pardon?”, zei ik?
“Tentzeilschaaffondue”
?
“Rietsuikerheisa”
Ik besloot om ergens anders te gaan zitten. Ik stond op, pakte mijn jas en liep de trein door op zoek naar een geschikte zitplaats zonder idioot tegenover me die me weigerde te vertellen hoe laat het was.

In het volgende treinstel zaten twee vrouwen te puzzelen. Een van de twee vrouwen leek op Harry Mulisch. Ze spraken geaffecteerd. Alsof het twee freules waren. Ze leken me ver in de zeventig. Over de tachtig misschien. “Ik heb vanmorgen een regenworm gekust”, zei de vrouw die niet op Harry Mulisch leek. Harry gierde het uit van de lach. Ze had een vals gebit. “Een re-gen-worm” zei ze lachend en ze sloeg zo hard op haar bovenbeen dat ze twee vingers brak. “Au, godverdomme. Au!” riep ze. Haar medereizigster vond dat ze zich niet zo aan moest stellen en sloeg haar met een vlakke hand in haar gezicht. Weer bulderde Harry van het lachen. In het weiland dat we passeerden vlogen tientallen kraaien op. Het was vijf graden boven nul, had Peter Kuipers Munneke gezegd. Ik liep verder door de trein op zoek naar een geschikte plaats om rustig te zitten maar ik was al bij het einde aangekomen. Machinist, stond er op de deur. Ik klopte aan en even later ging de deur open. Kom verder, zei een stem. Ik liep de cabine in. Op de machinistenstoel zat een vrouw van mijn leeftijd. Ze was prachtig. Ik was op slag verliefd. “Laten we terugrijden, en zo ver als we kunnen richting het zuiden gaan” zei ik. Ze stopte de trein, en we liepen hand in hand naar de andere kant. We passeerde de twee vrouwen. De vrouw die niet op Harry Mulisch leek had haar knokige middelvinger diep in een van de oogkassen van haar reisgenote gestoken waardoor de oogbal ernstig vervormde. We liepen naar het volgende treinstel. De joviale man sprak nog steeds tegen zichzelf in de weerspiegeling van de ruit. “Zeekonijn. Windvaan.”, hoorden we. “Strohalmprocedure.”. We lachten maar wat. Het kon ons weinig schelen. Halverwege stopten we en we kusten elkaar. We kusten elkaar waar we maar konden. Ik was nog nooit zo verliefd geweest. “Hoe heet je eigenlijk?” vroeg ik haar toen ik haar oorlel had gekust. Ze kuste mijn hoektand en vertelde mij haar naam. Ze heette Bosje. Wat een prachtige naam. Ik kuste haar sleutelbeen. Ze kuste mijn ringvinger en nam me mee de trein door. Verder en verder. Er leek geen einde aan te komen. Na 46 minuten hielden we even pauze. “Mijn hemel wat een lange trein”, zei de liefde van mijn leven. “Stamelbiljettenverkwanseling”, zei de joviale man die ons schijnbaar onhoorbaar gevolgd had. Achter hem de twee vrouwen. De vrouw die niet op Harry Mulisch leek was inmiddels tot aan haar heupen in een van de oogkassen van Harry verdwenen. Hoe bestaat het. “Wil je met me trouwen, Bosje?” vroeg ik. “Wacht”, zei ze. “Hoe heet je?” “Boef” zei ik. ”Ja ik wil, Boef”, en ze kuste me in de holte van mijn knie. “SCHUURPAPIER”, hoorde we. En “Au! Au!”. Alleen Harry stond er nog. De vrouw die niet op Harry Mulisch leek was helemaal verdwenen en bestond alleen nog in haar hoofd.