Categorieën
Fictie

Boomklever

Volledig in zijn eigen gedachten verzonken kwam hij vanaf het verharde bospad de berm ingelopen. De anderhalve kilometer afstand die hij dagelijks naar het park aflegde, waren voor hem dierbaar geworden. Hij ervoer elke ochtend een bijna meditatieve stilte. Elke ochtend rond 6 uur stond hij op en was hij om 7 uur in het park. Vanuit zijn huis op de heuvel naar de ingang met het wildrooster. Al jaren hetzelfde. Zijn voetstappen waren nog niet eerder zo geruisloos geweest. Iets wat hij zichzelf had aangeleerd in 30 jaar dienst. Wanneer je zo min mogelijk geluid maakt, val je ook het minste op. En dat was handig, in zijn werk.
Beslist liep hij door. Hij had een speciaal pad door het bos, daar waar anderen niet mochten lopen. Maar hij kende de weg goed. Zijn voetstappen zette hij zo dat hij weinig schade aanbracht aan het mos en de plantjes waarover hij heen stapte. Vorige week had hij hier een boomklever gezien. Met kleine, schokkerige stapjes kwam die vanuit de boom naar beneden, op zoek naar eten. Het bosachtige gebied van het park zat vol met verschillende vogels en dieren. Soms kwamen ze naar hem toe. Ze waren na al die jaren aan hem gewend. En hij aan hen.
Bij de houten balken van de afscheiding tussen het bos en de uitkijkpost zag hij ineens iets bewegen. Bijzonder, want zo vroeg mochten bezoekers nog niet in het bos komen. Misschien was het één van zijn collega’s. Maar dit was zijn stukje en zijn ochtendronde. Niemand anders kwam hier. Zou het een verdwaald hert zijn?
Met een paar extra stappen zag hij het ineens beter. Daar op een houten bankje zat een vrouw. Voorovergebogen waardoor hij niet kon zien hoe oud ze was. Maar hij kon zien dat het een vrouw was. Ze had leuke kleding aan. Dat viel hem meteen op. Geen collega dus. Moest hij haar nu aanspreken? Vragen hoe ze hier zo vroeg het park was binnengekomen?
“Je zult vast denken waarom ik hier al zo vroeg in de ochtend zit” zei de vrouw.
Ze bleef voorovergebogen zitten op het bankje. Haar handen tegen haar hoofd gedrukt, vingers verstrengeld door haar bruine haar.
Jan voelde zich verward. Hij wilde haar net aanspreken, maar had niet verwacht dat zij hem had gezien. Of überhaupt gehoord. Niemand hoorde hem ooit aankomen, zelfs zijn eigen vrouw niet.
“Hoe wist je dat ik er was?”
De vrouw bleef even stil. Langzaam tilde ze haar hoofd op.
Ze draaide niet om toen ze zei: “Hoe bedoel je?”
Ze snapte toch zeker wel wat hij bedoelde? Al jaren had niemand hem horen aan komen lopen. Hij schudde zijn hoofd en bleef in plaats daarvan stil. Het was ook een stomme vraag. Hij moest trouwens ook maar eens verder.
Hij ging een stukje verderop in de hoek van het uitkijkpunt staan. Daar zat een gat in het hek, waarschijnlijk gemaakt door een stel tieners met een zakmes. Het hek was expres van niet heel dik materiaal gemaakt. Zo kon een dier zich er niet aan bezeren. En mensen zouden het hek wel respecteren, maar toch erdoorheen kunnen kijken. Hij bekeek het hek aandachtig, totdat hij merkte dat de vrouw achter hem was komen te staan.
“Ik was zo dichtbij, weet je dat?”
Jan draaide zich om. Ze stond vlakbij hem. Haar bruine haar omlijstte haar gezicht, het was duidelijk dat ze al uren had gehuild. Haar droge ogen hadden de doffe kleur van uitgebloeide bloemen.
Ze keek hem niet recht aan. Ze keek langs hem heen naar het hek.
“Kom je dit repareren?”
“Ja..” stamelde Jan. Normaal bemoeide niemand met zijn werk. En dat vond hij prima. Waarom wilde deze vrouw hem per sé spreken?
Daarna bleef het stil.
De vrouw liep terug naar haar bankje.
“Waarom ben jij hier zo vroeg? Het park opent pas over veertig minuten,”.
“Ik was hier nog.”
Ze was hier nog? Pas nu zag hij de dikke jas en de grote laarzen die leken op sloffen om haar voeten.
“Je was hier nog? Wil je zeggen dat je hier op het bankje hebt geslapen?!”
“Nee, niet hier. Ik kwam van de andere kant. Maar vanmorgen ben ik hier gaan zitten. En nu kwam jij aanlopen.”
In al zijn jaren als boswachter had hij dit nog nooit meegemaakt.
“Ik was zo dichtbij”, zei de vrouw weer, “Maar ik wist dat het me niet zou lukken”.
“Waar was je dicht bij?”
“We zijn al jaren samen, weet je. Hij en ik. Maar hij ook met haar. En dat kan niet. Dat gaat niet, niet langer.”
De vrouw streek nerveus over de mouw van haar jas. Ze keek Jan weer aan. “Op een dag moet je een keuze maken. Toch? Snap je wat ik bedoel?”
Hij kon haar niet volgen. Ze had blijkbaar een relatie gehad, maar wat had dat met haar aanwezigheid hier te maken?
“Ben je daarom naar het park gekomen?
“Ik kom altijd naar het park om na te denken. Al jaren. Dit bankje is mijn lievelingsplek.”
Dat was bijzonder, Jan had haar toch zeker nog nooit gezien! Opeens twijfelde hij of hij in zijn werk wel genoeg op de parkbezoekers lette.
“Ik heb jou wel gezien.” De vrouw had zich weer naar hem toegedraaid. Zij zat nog steeds op het bankje, hij stond nog steeds. “Je bent altijd in de weer, maar altijd bezig met iets. Maar dat zal wel horen bij je werk.”
“Ik ben aangenomen om zo onopvallend mogelijk de dingen hier zo goed mogelijk op zijn natuurlijke beloop te laten”.
Hij had zijn eigen persoonlijke missie klakkeloos weten op te noemen. Maar vanbinnen twijfelde hij eraan of hij dat de laatste jaren wel goed had gedaan.
“En in je eigen leven? Ben je daar ook zo onopvallend?”
“Jij zag me toch net?”
“Ik hoorde je.”
“De meeste mensen horen mij niet.”
“Waarom niet, denk je?”
“Omdat ik het ook niet wil, dat ze mij horen.”
“Ik dacht ook dat ik genoegen zou nemen met niet gehoord worden. Maar uiteindelijk kom ik er toch achter dat ik ook wil worden gezien en gehoord. Ja, daar ben ik zeker achter. Ieder mens wil worden gezien. Jij toch ook?”
“Ik denk dat mijn vrouw dat dolgraag zou willen. Maar ik kan haar dat niet geven”.
Hij sprak de woorden al voordat hij er erg in had. Waarom vertelde hij dit aan haar?
“Wat zou je haar willen geven?”
Alles, dacht hij.
“Veel”, zei hij.
“Dan moet je haar dat zeggen.”

De vrouw stond nu voor de wand van het uitkijkpunt. Ze keek door een van de spleten die een doorkijk bood naar het open veld. In de verte had een groep reeën aan de bosrand verzameld. Ze liepen rustig naar het water, om daarvan te drinken.

“Ik denk dat ik maar eens ga. Dankjewel, je hebt mij aan het denken gezet”.
Maar hij had nauwelijks wat gezegd? Hoe kon hij haar hebben geholpen? En waar ging ze eigenlijk naartoe? Hij wist nog steeds niet hoe ze hier zo vroeg in het park had kunnen zijn. De vrouw zag de verwarring op zijn gezicht. Ze liep langs hem, op weg naar het bospad toen ze zei: “Met elke keuze die we maken, hebben we invloed op de uitkomst. Hoe stil we soms ook zijn”.
En weg was de vrouw.

Jan bleef daar staan. Kijkend door de spleet naar de groep reeën. Hij kon nog achter haar aan lopen. Vragen waarom ze hier was, hoe het kon dat ze in het park had overnacht. Maar hij leek bevroren.