Categorieën
Fictie

Bestemming vrijheid

Buiten adem spring ik op de smalle trede van de gereedstaande trein.
Vrijwel meteen hoor ik het bekende fluitsignaal en sluiten de deuren zich achter mij.
Ik ben veilig! Mijn hart maakt een sprongetje. In mijn buik keert de rust terug.
Ik heb een kans maar ik blijf op mijn hoede.

Ik herinner mij niet precies meer hoe ik in deze trein ben terecht gekomen.
Wel herinner ik mij een achtervolging door trappenhuizen en over een plein vol mensen.Mensen die wegkijken of snel doorlopen. Ik zie maar weinig. Mijn oog is bijna dicht geslagen en mijn lip bloedt onophoudelijk.
In mijn buik gaat het ook tekeer, mijn middenrif voelt beurs van de paniekerige trappen die mijn kleine inzittende mij geeft.
Ik ren de hoek van het winkelplein om en neem de trap naar 2 hoog. Alles wat nog in mij zit gooi ik er over de reling uit, het lucht mij tot mijn verbazing nog op ook.
Als ik hem plots weer in blinde woede voor bij zie rennen, zie ik mijn kans schoon om weer aan hem te ontkomen. Ik ren zo snel ik kan weer naar beneden.
Ik zie de mensen niet meer, ik zie alleen mijn vrijheid voor me. Rennen moet ik, rennen zal ik!
Ik zie een bus in de verte naderen. Maar ik zie hem weer mijn kant op komen, nu op een fiets. Ik verschuil me vlak bij de halte achter een reclamebord. Ik ben zo in paniek !Zelfs mijn hartslag is van slag! Ondertussen is de bus zo dichtbij dat ik wel uit mijn schuilplaats moet komen. Maar zodra ik achter het bord vandaan stap zie ik hem weer en erger, hij ziet mij!
Hij keert zijn fiets. Ik val bijna flauw omdat ik denk dat ik kansloos ben! Maar…soms is een oplettende buschauffeur al voldoende. De chauffeur doet al rijdend zijn deuren open en terwijl hij vaart mindert kan ik met een soort van hik stap sprong in de bus. Achter mij hoor ik geschreeuw en gevloek. Ik kijk niet maar ik weet dat hij het is. De passagiers in de bus kijken mij geschokt aan. Zodra ik binnen ben sluit de chauffeur de deuren. Iemand biedt mij een zitplaats aan maar ik sta kromgebogen en in ademnood bij te komen. Ik wuif met mijn hand dat hij weer kan gaan zitten. De chauffeur vraagt of hij een omweg langs het politiebureau moet maken. Ik denk er niet aan, ik moet deze stad zo snel mogelijk uit.
Aangezien geluk in een klein hoekje zit ben ik blij, maar ook verbaasd, dat de bus mij op het station brengt.
Hier moet ik zijn. Ik ben eigenlijk bang om de bus uit te stappen maar ik besluit dat er niks anders op zit. Ik bedank de chauffeur met het beetje adem dat ik nog heb.
Snel doe ik nog een schietgebedje en stap dan echt uit. Buiten zie ik iets waar ik weer moed van krijg ! Over geluk gesproken.

Als een wonder staat het stationsplein bij aankomst van de eindhalte vol blauwe zwaailichten. Overal waar ik kijk zie ik agenten. Ik weet dat hij nogal wat op zijn kerfstok heeft en allergisch is voor blauw. Maar ik niet dus ik ren zo hard ik kan richting perron en hier ben ik dan.

Als ik de 2e klas coupe instap zie ik dat de andere reizigers mij ook, bijna met open mond, aanstaren.
Ik stap achteruit de coupe weer uit. Ik heb nog steeds ademnood, een gortdroge strot en echt geen zin in al die veroordelende ogen
Ik loop de wc in en kijk in de spiegel. Ik geef de mensen in de coupe gelijk. Ik zie er niet uit! Mijn kleding is kapot en vies en mijn gezicht is zichtbaar gehavend
Ik heb doodsangsten uitgestaan en besef dat ik ongelofelijk veel geluk heb gehad dat ik hier nu ben. Tegenover de wc is een deurtje. Het lijkt me een goede schuilplaats, beter dan zo pal naast het raam in de coupe. Bang dat ik ben kijk ik of ik mij hier inderdaad kan schuilhouden. Het hokje is leeg en lijkt me geschikt. Het uitgeklapte stoeltje ziet er uitnodigend en tegelijk vreemd uit. Maar vreemd of niet ik ben moe. Ook verga ik van de pijn en niet alleen van de trappen die de kleine inzittende me de afgelopen uren heeft gegeven. Ik voel aan mijn gezicht. Mijn oog zal wel weer blauw worden en mijn onderlip brand. De scheur is diep maar het bloeden is inmiddels gestopt.
Hoe het ook zij, hier zit ik, op een piepklein uitgeklapt stoeltje naast een smal raampje. De deur heb ik op slot gedaan. Ik neem liever het zekere voor het onzekere

Ik tuur, een beetje ongeduldig, uit het raam om te zien of het perron al in zicht is…Ik weet niet waar ik heen moet maar bij mijn moeder lijkt het me in ieder geval veiliger dan waar dan ook.
Zodra het station van mijn dorp in zicht komt spring ik snel op. Of in ieder geval zo snel als lukt met mijn nu wel heel zwangere lijf.
Het is heerlijk om iets vertrouwds te zien.
De aanblik van het monumentale station stelt mij ietsjes op mijn gemak. De laat mijn hartslag een beetje dalen en mijn ademhaling komt in de richting van normaal.
Het station is oud en inmiddels een rijksmonument. Ik heb hier zoveel herinneringen aan.
Want wat was ik hier vaak in en uitgestapt. Het is een fraai station van binnen en van buiten. Het meest bijzonder, vond ik vroeger, dat het een Koninklijke wachtkamer had.
Als wij op het harde bankje naast de ingang van de Koninklijke wachtkamer plaatsnamen voor onze reis naar bijvoorbeeld het noorden voor familiebezoek. Ik fantaseerde dan graag hoe het daarbinnen zou zijn. Vast geen houten bankjes en koude tegels, maar banken met dikke kussens van fluweel en een hoogpolig, rood tapijt. Een paar keurige bedienden en natuurlijk een gouden klok om de aankomst tijd van de trein op te zien. Ik wilde graag geloven dat de koningin dagelijks per trein door haar land reed, zo kon ze zien hoe goed of slecht het er aan toe ging.
Zelf treinden wij ook veel. Mijn moeder had geen rijbewijs maar hield wel van shoppen in de verschillende grote steden.
Mijn vader was forens. Hij werkte midden in het centrum van Amsterdam bij een chique bank.
Hij fietste op zijn racefiets naar het station en maakte voor hij instapte altijd een praatje met de oude mevrouw die daar, in de wachtkamer van perron 2 en 3, een minisupermarktje had. Hij kocht een kop koffie, de beste gevulde koeken uit de omgeving en een krant om onderweg naar zijn werk te lezen.
Zelf stapte ik hier op de trein om in de naastgelegen stad naar school te gaan hoewel ik steeds vaker in het centrum bleef hangen. Ik herinner me ook dat jonge, naïeve meisje dat 2 jaar geleden stond te wachten op de trein om een nieuwe kamer te gaan bezichtigen. Die tijd is voorbij gevlogen.
In record tempo ben ik van jong naïef meisje naar alleenstaande moeder gegaan.

Als de trein bijna bij het perron is schuifel ik voorzichtig en angstig, om hem toch tegen te komen, uit het kamertje.
Ik sta te popelen om uit te stappen, mijn vinger al op de goudgele knop.
Ik houd mijn adem in en wacht tot de trein afremt… maar dat gebeurt niet. De trein raast door !
Hoe meer het station in de verte verdwijnt hoe meer paniek.
Paniek is wel het laatste wat ik kan gebruiken! Ik moet nadenken. Verdomme! Ik staar naar buiten en probeer een nieuw plan te bedenken. De bossen die voorbij schieten lijken eindeloos en ik ben radeloos.
Het duurt niet lang of paniek neemt bezit van mijn hele lijf.
Mijn paniek is zo erg dat de kleine inzittende weer flink in het rond trapt.
Ik voel mij leeg en zo moe dat ik amper kan blijven staan. Langzaam laat ik mijzelf op de vloer zakken. Ik proef het zout van mijn tranen.
Ik wil slapen tot ik wakker wordt uit deze nacht merrie.
Maar dan herinnert iets in mij dat dit niet is waarom ik deze vluchtpoging heb ondernomen. Ik moet slagen.
Anders is alles voor niets.
Ik moet mezelf echt weer in de hand krijgen. Mijn tranen veeg ik weg
Nu ik weer rustiger wordt stopt mijn inzittende ook weer met trappen. Gelukkig want ik houdt alles maar net binnen.
Ik sta weer op en wrijf troostend over mijn buik. Het helpt want langzaam maar zeker nestelt het kleintje zich recht onder mijn hand. Ondertussen zie ik in mijn ooghoek een nieuw station naderen. Een nieuwe kans op vrijheid! Ik sta op en mijn vinger rust alweer op de geelgouden knop.
Zodra de trein stopt, stap ik voorzichtig uit, als de kust veilig lijkt besluit ik te rennen. Met 1 hand op mijn buik ren ik voor ons leven, ik ren en ik ren.