Categorieën
Fictie

Belofte

“Ik ben een jongen.”
Een stilte vult de keuken. Moeder kijkt verbaasd. Een stuk vlees valt van haar vork op het tafelkleed. Vader is stoïcijns. Zijn bril verbergt zijn ogen en zijn mond is een strakke lijn. De eerste stap is altijd de moeilijkste. Maar ik heb ze gezet.
“Ik ben een jongen.” Herhaal ik. De dam breekt. Ik vertel alles. Ik heb nooit graag met poppen gespeeld. Ik verkies een broek boven een rok. Waarom ik mijn haren kort knip. Dat ik oefen om met een diepere stem te praten. Alle kleine en grote dingen die ik over de jaren wel en niet deed. En het moment wanneer ik besefte dat ik anders ben. Ik praat en praat en praat zodat de stilte niet terug komt. Ik praat langer dan ik ooit met mijn ouders gesproken heb. Ik praat tot ik niet meer kan spreken. Ondanks mijn pogingen keert de stilte weer.
Moeder staart naar haar bord. Ik kan haar exacte gedachtegang volgen op haar gezicht. Zij is altijd zeer open met haar emoties. Ze is geschokt, verrast en verward. Enkele malen zie ik haar een zin beginnen maar de woorden sterven af elke keer ze haar mond opent. Vader blijft stoïcijns. Hij eet de laatste resten van zijn bord en legt zijn bestek neer.
“Ik maak een wandeling.” Zegt hij. Vooraleer moeder of ik iets kan zeggen, heeft hij zijn jas aan en is hij de deur uit.
“Is vader boos op mij?” Vraag ik met kleine stem aan moeder.
“Nee.” Antwoordt moeder. Ze gelooft het zelf niet helemaal. “Een wandeling is gewoon hoe je vader zijn gedachten ordent.”
Ze schuift de borden bij elkaar. “En er is veel waarover hij, wij, moeten nadenken. Ga jij maar naar je kamer, oké? Ik ruim de keuken wel op.”
Mijn stoel schraapt tergend luid over de vloer. Ik werp een laatste blik naar moeder voordat ik met zware voeten de trap opga. De keuken blijft stil.
Het is vier uur later: half elf. Het regent. Vader is nog niet terug van zijn wandeling. Ik zit in het donker op mijn bed met een kussen geklemd tussen mijn knieën en borst. Ik luister. Het huis is stil. De regendruppels ploffen als kogels tegen de ruit. Ik hoor de voordeur open en dicht gaan. Moeder zegt iets. Ze krijgt geen antwoord. Doffe voetstappen klimmen de trap op naar mijn kamer. Ik houd mijn adem in. Twee harde kloppen gevolgd door een moment van stilte. De deur zwaait open en vader komt binnen.
“Vader, ik-”
Hij steekt zijn hand op. Ik slik de rest van mijn woorden in.
“Je gaat daar zitten en luisteren naar wat ik zeg.” Vaders stem is kordaat, kortaf.
Het licht knipt aan en hij wandelt doorheen de kamer, voorbij mijn bed, tot hij bij het raam komt. Vader kijkt naar buiten. De regen vertroebelt zijn reflectie. Zijn handen rusten op zijn rug. Hij lijkt precies een commandant die de troepen toespreekt. Stoïcijns, altijd stoïcijns.
“Ik ben traditioneel.” Begint vader. “Ik kom uit een tijd waarin jongens opgroeiden tot mannen en kleine meisjes veranderden in jongedames. Dat is hoe ik de wereld ken.”
Vader zet zijn bril af. Uit zijn borstzak neemt hij een zakdoek om zijn bril te kuisen.
“Maar ik lette niet op en de wereld is mij voorbij geraasd.”
Hij zet zijn bril terug op. Vader toont oud, ouder dan hij is.
“Er zijn veel zaken die ik niet ken en vele zaken die ik vroeger
geleerd heb, zijn nu zo hard veranderd dat ik ze niet meer herken.”
Hij slaakt een diepe zucht en zijn schouders zakken: een miniem moment van zwakte voordat hij terug zijn rug recht en resoluut voor zich uitkijkt. Alsof hij de regen kan doen stoppen door de wolken neer te staren. Voor een enkele seconde geloof ik dat het hem lukt.
“Er zijn slechts nog maar een paar zaken die ik met zekerheid kan stellen.”
Ik kan zijn gezicht niet zien maar ik weet dat vader zijn ogen sluit. Hij sluit altijd zijn ogen als hij iets belangrijks wilt herinneren. Een oude wijze man grapt moeder dan gewoonlijk.
“Toen ik je grootvader om zijn dochters hand ging vragen, heb ik hem beloofd dat ik alles binnen mijn macht en meer zal doen om haar gelukkig te maken. Eenzelfde belofte heb ik gedaan de dag dat ik met je moeder trouwde, dat ik haar gelukkig zal maken, elke dag opnieuw tot het einde van mijn dagen.”
Vader stopt met praten. Het is de eerste keer dat ik merk dat hij moet nadenken over zijn woorden. Het maakt de stilte des te luider.
“De laatste belofte die ik heb gedaan, was op de dag dat jij geboren bent, op het moment dat ik je voor het eerst in mijn armen hield.”
Vaders reflectie kijkt mij aan vanuit het raam. De weerkaatsing van glas op glas zorgt ervoor dat zijn bril zijn gezicht onleesbaar maakt. Ik knijp in mijn kussen en bereid me voor op wat hij gaat zeggen.
“Het was niet echt origineel.” Zegt vader. Zijn stem klinkt anders: rustiger, zachter. Het is een stem die me niet bekend is.
“Het was hoofdzakelijk dezelfde belofte die ik heb gedaan aan je moeder. Maar het sentiment was anders. Ik was een vader. Jouw vader. En als je vader is het mijn taak om ervoor te zorgen dat je alle kansen hebt om te slagen in het leven, om gelukkig te zijn.”
Hij pauzeert. Misschien verwacht hij dat ik antwoord. Ik zeg niets en begraaf mijn gezicht in mijn kussen.
“Ik ben traditioneel.” Herhaalt vader. “En er zijn veel dingen die ik niet begrijp. Maar als wat je aan tafel zei je nodig acht om gelukkig te zijn, dan zal ik je daarbij bijstaan in de mate dat je het nodig hebt.”
Voor het eerst kijkt vader weg van het raam. Hij draait zich om en kijkt me rechtstreeks aan. Zijn ogen zijn duidelijk zichtbaar achter zijn bril.
“Dat is een belofte van vader aan zoon.”
Mijn voeten raken de vloer en voor ik het besef, leun ik tegen vader. Ik krijg mijn armen niet volledig rond hem. Vader heeft altijd al een brede rug gehad. Het regent niet meer maar toch wordt vaders hemd nat. Ik voel zijn hand tegen mijn achterhoofd. Vader is stoïcijns, altijd stoïcijns, maar vanavond glimlacht hij samen met mij.
“Bedankt, pa.”