Categorieën
Fictie

Barcelona

Je stond op het perron aan de overkant van het spoor. Vrouwen die alleen reizen heb ik altijd al interessant gevonden. Niet het dagelijkse reizen met een Ford Ka naar het werk, maar écht reizen, op weg naar de gate met een rolkoffer, een zelfverzekerde pas en het pootje van een zonnebril tussen gestifte lippen geklemd. Of zoals jij, met een grote tas wachtend op de Thalys naar Parijs. Je droeg een mouwloos hemd met daaronder een linnen broek met wijde pijpen en een hoge sluiting. De nette schoenen die je daar normaal bij draagt, had je vanochtend in de plastic tas gedaan waaruit je blauwe All Stars waren gekomen. Op welke muziek wiegde je zachtjes heen en weer? Je heette vast Chloé. Of Frederique.
Het duurde nog elf minuten voordat mijn trein naar Den Helder zou vertrekken en ik ribbelde onbewust met mijn voet over de witte tegels die bedoeld zijn voor blinden en slechtzienden. Jouw TGV kwam aanrijden en je pakte alvast de hengsels van je tas waarna je scheef bleef staan omdat je hem niet meteen wilde optillen. Toen je instapte probeerde ik mijn haastige tred te vermommen met een nonchalante blik, maar ik kon je niet terugvinden tussen alle in- en uitstappende passagiers. Ik hoopte dat je op het perron was blijven staan; dat als de trein vaart maakte bij het uitrijden van het station en als de achterste wagon tussen ons uit werd getrokken, je recht tegenover me zou staan. Dat je met je handen in je zakken, je gezicht iets naar beneden en met een triomfantelijke glimlach had willen zeggen “Tadaa: daar ben ik dan”. Maar er was niemand overgebleven op 15b nadat ook het bejaarde echtpaar de roltrap naar de stationshal had gevonden. Liever was ik in de zon gaan staan, weg vanonder de stationsoverkapping, maar in de schaduw was het rustiger. Ik leunde met één schouder tegen een geel bord met vertrektijden en deed mijn ogen dicht.

Ik voel dat je naar me kijkt, maar als ik mijn hoofd naar je toe draai zie ik nog net hoe je je ogen naar het voorbijsnellende landschap wendt. Je denkt dat ik niet in de gaten heb dat je zachtjes glimlacht: ik haal een keer diep adem en begin een gesprek. Al snel moet ik raden waar je vandaan komt. Je accent verraadt iets Scandinavisch. Niet Zweden. Ook geen Estland. Noordpool? Je moet zo hard lachen dat je ervan schrikt en je hand voor je mond slaat. Rusland! Welke prijs heb ik ook alweer gewonnen? Je heet Anouschka. Of Jelena. Je laat me een foto van Piña zien. Ik heb het niet op honden, maar vind die van jou toch heel leuk. Je vertelt dat je aan een straatje woont dat langzaam omhoogloopt en dat de zon daar altijd schijnt. Victoria: ja, zo heet je.
Het duurt niet lang meer voordat we in Brussel zijn en ik eruit moet. Jij moet in Parijs overstappen op een trein naar Barcelona. Ik vertel je dat ik van de KGB ben en de opdracht heb je te ontvoeren. ‘You think I surrender that easily?’ antwoord je, en in je hand houd je een denkbeeldige revolver: ‘Stay with me on this train or I shoot you’. Ik bel naar de ambassade en meld me ziek voor die middag. Wat doe jij eigenlijk? Je bent journalist.

We wonen samen in jouw appartement. Het is klein, maar voelt toch ruim en we kunnen de zee zien als ik jou optil en zelf op mijn tenen ga staan. Wat ik kan, want jij bent licht en ik sterk. ’s Ochtends worden we wakker door harde stemmen van winkelende mensen beneden op straat. Een vrouw met een krakende stem onderhandelt met de eigenaar van de groentestal. Mijn Catalaans is nog niet zo goed, maar het gaat over de sinaasappels. Hoewel ze niet geschikt zijn voor een salade, kun je ze wel uitpersen. Jij staat op om naar de redactie te gaan en ik blijf nog even liggen. Later haal ik wat broodjes, zet koffie en daarna ga ik verder aan mijn roman. Ik heb hier eindelijk de rust en inspiratie gevonden om mijn boek te schrijven.
Het is heerlijk om de woonkamer op te ruimen met zonlicht dat langzaam in de zee verdwijnt. De kaas die nog in de koelkast zat is inmiddels op temperatuur en ligt op tafel samen met de ingemaakte uitjes en gegrilde paprika’s die ik heb gekocht toen ik Piña uitliet. We drinken er rosé bij. Je vertelt dat morgen je onthulling van corruptie in de hoogste politieke kringen in de krant staat. De politie heeft je zogenaamd bescherming aangeboden, maar dat heb je afgeslagen omdat je mij hebt. Het kost me geen moeite om het spel met opgetrokken schouders en zielige wenkbrauwen mee te spelen. Daarna laat ik je lezen wat ik vandaag geschreven heb. Je vindt het stom dat de hoofdpersoon is overleden door een vallende bloempot, maar dat clichématige vind ik nou juist zo grappig. Je laat je niet overtuigen en ik stel voor dat je het verhaal dan maar zelf verder schrijft. Maar nog voordat ik mijn laptop open heb geklapt, beginnen we te vrijen. Eerst op de bank en later in bed.
We gaan hier wel vaker naar toe om te eten want meestal is er nog wel een tafeltje vrij dat aan de straat grenst. Dan kunnen we een praatje maken met bekenden die hier voorbijlopen. Het zijn vooral bekenden van jou, eigenlijk, en ik kan niet altijd volgen waar jullie het over hebben. De laatste tijd zien we Paolo vaak. Hij is lang en heeft zo’n hip snorretje. En zo sympathiek: hij doet altijd moeite om mij bij jullie gesprek te betrekken. ‘Nee, een relatie met Paolo?’ Zeg je. ‘En dan samen met hem kinderen opvoeden? Lijkt me heel zwaar.‘
Op een dag kom je veel later thuis dan ik had verwacht. Er is iets met je aan de hand. Je doet onrustig en je laat zelfs je glas wijn vallen nog voordat je een slok hebt genomen. De pauzes tussen de zinnen als je me vertelt over je werkdag van vandaag duren lang. Ik besluit dat het allemaal niks betekent en klets wat weg over mijn wandeling langs het strand vanmiddag. In de luwte van mijn monoloog word je langzaam weer jezelf, op het plukken aan de zoom van je rok na.
We blijven steeds vaker thuis voor het avondeten. Of we eten apart. Soms slaap ik al als je ‘s avonds laat thuiskomt. En als ik nog wakker ben en ik mijn boek ondersteboven op mijn buik heb gelegd, of er als grap mijn verga mee bedek nadat ik snel mijn onderbroek heb uitgetrokken (“Raad eens wat ik aan het lezen ben?”), klaag je dat je moe bent en val je met je rug naar mij toe in slaap. Ik ruik vaak stiekem nog even aan je haren voordat ik zelf mijn ogen dichtdoe.
‘Vind je het erg als ik dit jaar met Kerst niet meega naar Nederland?’ Voor de vorm dring ik aan, maar ik wil niks liever dan alleen teruggaan. Ik spreek af met wat oude vrienden omdat ik samen in een café wil zitten terwijl het buiten regent en koud is. En die eeuwige bitterballen, die Sander altijd van zo groot mogelijke hoogte in dat kleine kommetje met mosterd laat vallen. Ik loop het steegje in en probeer de condens van de ruit te vegen om te kijken of jullie er al zitten. Maar ramen zijn altijd aan de binnenkant beslagen, nooit van buiten. Ik stap binnen en daar zitten jullie. Aangeschoten en luid brullend begroeten jullie me. Iemand heeft een baard laten staan. Er wordt meer bier besteld en ik moet vertellen over Spanje en hoe gelukkig ik daar ben.
Ik ga niet meer terug en schrijf je een brief. Die scan ik en stuur ik je per email. Het origineel bewaar ik samen met de kaartjes en brieven die ik van je heb gekregen. Die had ik al in mijn koffer gedaan toen ik vorige week vertrok. We zullen elkaar nooit meer zien en ik weet dat jij weet hoe ik me dus voel. Vanaf het moment dat ik je zag, tot de dag dat ik doodga, zal ik van je blijven houden. Liefs vanuit Den Helder.

Ik stond weer op het perron. Het was laat in de avond en er was verder niemand op een trein aan het wachten. Door de verlichting aan het plafond viel het niet meteen op, maar het was volle maan. Zelfs met mijn handschoenen aan waren mijn handen verkleumd. Het begon te regenen en ik vroeg me af of maanlicht sterk genoeg is om een regenboog te veroorzaken. Ik liep naar de rand van de overkapping, ging met mijn rug naar de maan staan en keek naar boven. Niks. En ik miste je ineens zó ontzettend, wat toch gek is, want je hebt immers nooit echt bestaan.