Categorieën
Fictie

Avondster

Ik staar naar het plafond, die als een groot zwart gat boven mijn hoofd zweeft en bijna niet zichtbaar is. Hingen er maar sterren aan, dan zou ik ze plukken! Dan zou ik reiken naar het plafond en grijpen wat ik niet grijpen kan. Reiken naar datgene wat als zand tussen mijn handen wegglipt. Me uitstrekken naar wat onbereikbaar, is maar toch zo dicht voor mijn neus hangt. Naar datgene wat verdwijnt in de nacht, om elke nacht weer als spookbeeld terug te keren. Net als jij.

Ik had je maar even. Een heel kort moment. Bijna een ademzucht. Wat lijkt het een eeuwigheid geleden! Het is net alsof er aan die nacht geen einde kon komen. Alsof mijn hand voor eeuwig in de jouwe lag en alsof het geluid van onze voetstappen nooit meer zou wegsterven, ver weg, in die donkere nacht.

Waar waren we? Het maakte niet uit! We hadden overal kunnen zijn, maar we waren op weg naar mijn huis. Of eigenlijk naar het huis van mijn ouders. Allebei waren we nog jong en wisten niet wat de toekomst brengen zou. Wij wisten nog niets over het werkende leven, het zwoegen voor een bestaan, een gezin en kinderen of de lasten van een huishouden. We wisten alleen dat we iets voelden, wat we niet thuis konden brengen. Iets wat we blijkbaar eerder niet gevoeld hadden, in ons studentenbestaan.

Hoewel we elkaar wel eens eerder hadden gezien, hadden we elkaar nooit echt eerder gesproken. We hielpen allebei in de schoolbibliotheek, ik met kassa draaien of het aannemen en terugzetten van boeken.

Tot voor kort was je me niet eens opgevallen! Ik vond een andere jongen leuk. Die jongen, Mark, die vaak bij het koffiehoekje stond en met zijn rug tegen het aanrechtblok aan hing terwijl hij ongeïnteresseerd een appel at en een tijdschrift vasthield. De passie die Mark uitstraalde was bijna vergelijkbaar met een zak aardappelen, hoewel een zak aardappelen zelfs vast nog méér erotisch was. Je kon daarbij nog bedenken dat de duim van je hand zachtjes de harde, zachtgele oppervlakten streelden, langzaam rondjes draaide op de harde, ronde hoeken en de wat puntige uiteinden, terwijl de andere hand liefdevol met een aardappelmesje gleed over de stroken met schil, waar nog wat zand en aarde aan kleefde.

Maar Mark was een stoere jongen, die helemaal niet in de bieb thuishoorde. Die daar als een soort straf drie dagen per week anderhalf uur bij de catering moest zijn. Ik weet niet wat Mark had uitgespookt, waardoor de conrector deze straf had opgelegd, maar het kon niet veel goeds zijn! In de tijden dat Mark daar stond keek ik alleen maar naar zijn warrige, bruine haardos en baggy spijkerbroek. Mark keek echter steevast ongeïnteresseerd in een tijdschrift, terwijl de echte buffethelden een pauze hielden.

Ik zag je weleens lachen en praten met Mark. Blijkbaar waren jullie bevriend, maar niet in een hele hoge mate. Op die momenten bracht jij zakken nieuwe broodjes naar binnen en vaak ook boxen met beleg en andere gekoelde etenswaren. Op mij kwam je over als een rustig type, een beetje introvert. Het was pas toen hyper populaire studente Emma uit m’n klas – die een boek kwam afleveren – mijn blik volgde en aan mij vroeg ‘leuke jongen hé?’, dat ik voor het eerst echt naar je keek. Jij droeg een spijkerbroek, een standaard wit shirt en een zwart jas. Mijn blik speelde met je bruine, licht golvend haren en amandelkleurige ogen. Je was helemaal niet zo opvallend, maar feitelijk zag je er wél leuk uit. ‘Ja, leuke jongen.’ Antwoordde ik. ‘Ik ben met ‘m naar bed geweest!’ zei ze triomfantelijk. En bam, meteen sloeg die deur in mijn gezicht dicht. Zo eentje was jij er dus. Waarschijnlijk was jij iemand die met alle blonde, populaire meiden het bed deelde. Ik had geen hoge dunk van Emma. Jij blijkbaar wel. Ik zette je weg in mijn denkbeeldige laatje ‘popi-joopi’ en dacht niet meer aan jou.

Tot die ene avond. Die magische avond. Het was héél toevallig dat ik je tegenkwam in een discotheek waar ik wel eens heen ging. Die avond had ik daar niet moeten zijn. Maar ik was er wel en ik verveelde me te pletter. Op het moment waarop ik dacht dat het niveau aan oninteressante mensen een absoluut hoogtepunt zou bereiken, stapte jij uit de menigte naar voren. Vanuit het niets. Ik had je daar niet eerder gezien. Als vanzelf liep ik naar je toe. Gek hoe zo’n kleine beslissing een mensenleven kan veranderen. De rest van de tijd bleven we ook samen. We keken hoe mensen hun meest gekke dansmoves neerzetten op de dansvloer en spraken af en toe met elkaar.

We liepen naar buiten toen de laatste tonen werden ingezet. ‘Ik breng je naar huis.’, zei jij. Je vertelde mij dat je daar in de buurt moest zijn. We liepen zwijgend naast elkaar, terwijl om ons heen de stemmen van andere stappers langzaam vervaagden. Het gevoel van vereenzamen – na al die drukte – duurde niet lang. Hooguit vijf of zes minuten. Toen pakte je mijn hand. Ik trok hem niet terug. Jij zei niets, ik zei niets. We liepen zwijgend naar mijn huis. Af en toe keek ik naar je. Van opzij. Ik keek naar je hoekige kin, je golvende haren en de manier waarop je kraag omhoog stond bij je nek, waaruit kleine kriebelhaartjes omhoog leken te kruipen. We omarmden de donkere nacht en ons samenzijn. Je vroeg me slechts één keer of ik bij je thuis wilde slapen en ik schudde mijn hoofd.

Eén kus vroeg je. Eén kus voor de lange tocht naar huis.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik wist niet wat ik moest doen. Zulk soort situaties kende ik nog niet. Er begon iets, diep van binnen.

Emma schoot door mijn hoofd en ik vroeg ik vroeg je wat dat betekend had. Je antwoordde mij, hoewel je dat niet verplicht was. En toen was Emma verdwenen, uit mijn hoofd en uit ons midden. Toen was er alleen nog jij en ik. En je vraag. En mijn verwarring. Ik snapte mijn gevoel niet, ik herkende niet wat er begon te bloeien in mij.

En nu, decennia later, lig ik op mijn bed. Het is nacht. Zoals elke avond. Ik kijk naar het plafond. Ik denk aan jou. Zou jij ook wel eens aan mij denken? Als ik je die kus had gegeven, wat zou er dan gebeurd zijn? Zou je nu dan naast mij gelegen hebben? Of was je dan de volgende ochtend ook verdwenen, net als die sterren in de nacht?

Ik vraag het me nog steeds af. Ik vraag me nog steeds af of wij nooit echt hadden moeten worden. We hadden één nacht.

Eén nacht.

Hadden wij maar een dag gehad. Eén dag. Dan hadden wij misschien wel een heel leven.