Categorieën
Fictie

Appeltaart

Vanuit de rode Opel Corsa zag Merel hoe Maurits de Wegenwacht belde. Hij stond met zijn rug naar haar toegekeerd en zijn linkerhand in zijn broekzak. Zijn hoofd hing naar voren, alsof hij de kiezelstenen probeerde te tellen. Als hij sprak, rechtte hij zijn rug en keek hij uit over het groene landschap dat aan de provinciale weg lag. Merel zag wat hij ook zag: een brede rivier die het stuk bos en de dijk waarop de weg lag van elkaar scheidde. De bomen stonden tot aan de rand van de rivier. Ze hingen voorovergebogen, precies zoals Maurits ook stond als hij luisterde naar de persoon aan de andere kant van de lijn.

Onder aan de dijk lag een grasveld. Zo’n vijftig eenden lagen daar in een groep bij elkaar. Het grootste deel lag te slapen. Hun koppen in hun veren begraven. Een enkeling keek in het rond. Het waren mooie eenden, er zaten geen mannetjes tussen. Vroeger had Merel een voorkeur gehad voor de mannetjeseenden met hun groene koppen. Ze begreep nooit waarom de mannetjes zo mooi waren. Vrouwen waren toch veel mooier dan mannen? Nu begreep ze het wel; de mannetjes moesten imponeren, de vrouwtjes camoufleren. Zo vielen ze niet op als ze hun kinderen beschermden tegen gevaren van buitenaf. Ze leefden in hun eigen bubbel. Een bubbel met oranje poten, dat wel.

Het bos achter de rivier was er kunstmatig geplant, dacht Merel. Net zoals alles in Nederland eigenlijk. Haar leraar uit groep 8 vertelde zijn klas dat zoiets als natuur eigenlijk niet meer bestond. Zodra mensen er aan gezeten hadden, was het van de mensen en niet meer van de natuur. Er waren nog maar weinig gebieden op de wereld waar mensen nog niet waren geweest. En dus is er bijna geen natuur meer. In haar geboortedorp hebben ze nog geprobeerd om de natuur terug te halen. De rivier was in de jaren tachtig recht gelegd, zodat er met gemak een fietspad aangelegd kon worden. Handig, dacht de gemeente, voor alle moeders en kinderen die naar school gingen. Toen bleek dat de moeders hun kinderen met de auto brachten, hebben ze geprobeerd om de rivier weer terug te plaatsen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. De natuur laat zich niet voor de gek houden.

Merel schrok van een auto die voorbij raasde. Ze klemde haar rechterhand om het portierhendel. Met haar linkerhand hield ze de appeltaart vast die in haar schoot lag. Niet dat er iets kon gebeuren, de auto stond stil. En het zag er niet naar uit dat die snel gemaakt zou worden. Maurits’ hoofd hing steeds verder naar beneden. Merel voelde een raar soort opluchting. Liever had ze een auto die heel was, dat zeker. Maar op dit moment had het niet beter kunnen zijn. Het was zonde van de taart, maar die at ze wel alleen op. Of met Maurits, als het moest.

Het was de eerste keer sinds de kerst dat ze bij haar schoonouders op bezoek ging. Ze was vroeg opgestaan om een appeltaart te bakken; Maurits was nog niet eens wakker. Het duurde veel langer dan gedacht om het deeg te maken (bijna anderhalf uur), maar de rest ging haar soepel af. Ze twijfelde over de rozijnen. Die stonden wel op het recept, maar ze kon zich niet herinneren dat haar oma die in haar taarten stopte. Ze had er voor gekozen om het maar niet te doen. Ze hield zelf ook niet van rozijnen. Inmiddels rook de hele auto naar appel en kaneel. Ze ademde diep in. Even bracht het haar terug naar haar oma’s appartement aan de Bisschoplaan. Het was op fietsafstand van haar huis geweest en ze ging er vrijwel iedere week even langs met haar moeder. Ze moest er niet aan denken dat ze over een paar jaar zelf wekelijks een bezoek zou brengen aan haar schoonmoeder met haar nog niet bestaande dochter. Ze keek naar de appeltaart, die losgeraakt was van de vorm. Alles zakte langzaam in elkaar.

“Ze zijn er over een half uur.” Merel had het raam een stukje opengedraaid zodat ze de stem van Maurits kon horen. Ze zag zijn lippen terwijl hij sprak. Er hingen losse velletjes aan en er zaten barsten in. Ze herkende deze staat van zijn lippen uit de tijd dat ze nog maar kort samen waren. Als ze veel gezoend hadden, leken zijn lippen bijna uit elkaar te vallen. Zoenen deden ze nu nog maar nauwelijks. Intimiteit was sowieso ver te zoeken. Ze wist bijna zeker dat zijn lippen bij een ander waren geweest. Maar op dit moment deed het haar niets. Ze wachtte op het perfecte moment om het uit te maken. Iedere keer kwam er weer wat tussen; een belangrijke deadline, een feestje met vrienden, of hij bleek ineens heel lief voor haar te kunnen zijn waardoor ze bijna van gedachte veranderde. En het zou zoveel gedoe zijn. Ze woonden al vijf jaar samen. Alle spullen in het huis waren door hen samen gekocht. Ze kon niet meer zonder zijn boekencollectie en het bed was van zijn ouderlijk huis meegekomen. Waar zou ze moeten slapen? Het huis van haar ouders wilde ze niet meer in.

“Ik ga er even eentje roken.” Zijn adem liet een waas achter op het glas. Ze draaide het raam dicht en hij draaide zich om. Ze zag hoe hij op de rand van de dijk ging zitten en zijn sigaret opstak. Ze voelde hoe haar ogen rolden. Merel had een hekel aan roken. Dat deed hij al sinds ze hem had ontmoet. Het was het eerste wat ze zag aan hem; de sigaret. Toch was ze voor hem gevallen. Waarom wist ze zelf ook niet meer. Ze had gedacht dat hij wel zou veranderen (dat deed hij niet). De aanblik van de sigaret in zijn hand maakte dat ze walgde van zichzelf. Ze had haar besluit genomen. Ze kon het zo niet langer.

De telefoon ging drie keer over.
“Hoi Merel,” klonk het aan de andere kant van de lijn, “is er wat?”
“Saar, kan ik bij jou slapen vannacht? Ik trek het niet meer. Ik neem appeltaart voor ons mee.”