Categorieën
Fictie

Anders

Mijn Gedaanteverandering begon toen Sarah drie dagen weg was. Ze had de planten meegenomen en mijn pantoffels. De rest zou ze later wel komen halen. Wanneer, dat wist ze niet. Als het op onze relatie aankwam, leek het alsof Sarah ineens niets meer wist.

Hoewel het onduidelijk was waar dit zou eindigen, kwam haar vertrek niet ongelegen, zo hield ik mezelf voor. Ik had eindelijk tijd om te lezen. Freud, Lacan, Kafka. Ik kon veganistische groentecurry’s bereiden zonder rekening te moeten houden met de pittigheid ervan. Ik kon zelfs tot diep in de nacht doorwerken aan de Riemann-hypothese, een van de moeilijkste wiskundige problemen van deze tijd, zonder gestoord te worden door onbenullige opmerkingen over het nut van voldoende nachtrust.

Dat werkte tot dag drie. Toen waren er eerste symptomen, sneller dan ik had verwacht, in de vorm van witte vlekken op mijn buik – de afleiding was blijkbaar niet meer voldoende voor immuniteit. Diep vanbinnen wist ik dat al: ook ik keek journaals en las kranten, en ook ik had alle statistieken en de ooggetuigenverslagen bestudeerd (gewoon, voor het geval dat). Maar zoals rokers denken dat zij nooit longkanker zullen krijgen, dacht ik dat ik ook nooit slachtoffer zou kunnen worden van Verandering.

Ondanks alles leek mijn leven gewoon door te gaan. Ik douchte, deed de was en kookte dagelijks, al zette ik op dag zeven de koelkast een standje hoger en deed ik op dag twaalf een extra grote bestelling bij de visboer. Mijn uiterlijk veranderde zienderogen: ik kon niet zeggen dat het mooi of lelijk was, maar het was wel duidelijk dat ik geen enkele weerstand zou kunnen bieden. Ik besloot geen mensen meer te zien.

Op dag dertig belde Sarah. Of ik wilde afspreken, gewoon, even praten.

Ik zei niets.

“Oh”, zei ze. “ik snap het wel. Je vindt het te vroeg.”

Dat was het niet, maar ik zei van ja. Mijn stem kraakte.

“Gaat het wel?”

Tegen Sarah was het moeilijk liegen. Al op de eerste date – een strandwandeling in IJmuiden – wilde ik haar alles vertellen. Ik wilde dat ze me zou zien, helemaal, de echte ik, en dat ze alles zou begrijpen en zou zeggen dat het goed kwam. “Ja”, zei ik. “Het is alleen…”

“Wat?”

“Ik ben Veranderd.”

Het bleef even stil. “Oh”, zei ze toen, zachter.

“Ja. In een pinguïn.”

“O, Marc.”

“Ja.”

Ze zei nog iets en hing toen op. Haar spullen kwam ze niet meer halen.