Categorieën
Fictie

Als twee druppels water

Als twee druppels water
Een stem doordringt het niets: ‘Meneer Den Dulk, hoe gaat het met u?’ Freek doet zijn ogen open, hij hoort het gepiep van de hartbewaking en het geruis van de zuurstof bij zijn neus. Twee infuuszakken bengelen in zijn linker ooghoek, totdat een gezicht het beeld overneemt. Een verpleger buigt zich over hem: ‘Alles is goed gegaan hoor.’ Wat is goed gegaan? De vraag blijf mistig, hij is niet in staat om zijn gedachten te ordenen. In zijn doffe bewustzijn komen de woorden “Als twee druppels water” naar boven. Wat, wat is dat, denkt hij. Hij weet het niet, het is te vermoeiend voor Freek, die weer wegglijdt in het niets.
De dag daarop slaapt hij veel. Op een moment van waken merkt hij op dat zijn linkerhand is vastgebonden aan het bed. Vanaf de infuuszakken ziet hij twee slangen bij elkaar komen en naar zijn hand lopen. Zijn lippen vormen de woorden, “Zo nauw is de straat dat de tramsporen naar elkaar toe kruipen en over elkaar heen gaan liggen.” Deze zin blijft keer op keer terugkomen, hoe hij die ook probeert weg te duwen. ‘Het komt uit een boek’, mompelt hij. Maar hij leest nooit boeken, niet op de LTS, nooit niet, hij was altijd op zee. Hoe kan ik dan van dat boek weten, denkt hij. Terwijl zijn adem naar meer zuurstof snakt, valt hij in slaap.
Een verpleger komt en controleert of alles in orde is, of het infuus nog druppelt. Hij maakt Freek wakker en vraagt of hij wat wil drinken, ‘Ja water.’ Voorzichtig wordt het hoofdeind van het bed hoger gezet, zodat hij kan drinken. Het doet pijn en het is vermoeiend, maar het lijkt of het water zijn hersenen schoon wast. Hij weet het; “Als twee druppels water” is de film over het boek. Film, boek, hoezo boek, hoezo film, wat moet ik daarmee? Hij voelt woede opkomen, ‘Niemand maakt me gek,’ bezweert hij. ‘Ik ben Freek den Dulk, visserman, ik heb een eigen kotteren en ben getrouwd met Ria,’ zegt hij luid alsof de lucht overtuigd moet worden. De hartmonitor begint angstig te piepen. Na een injectie van de verpleger komt er rust over hem.
De zon staat al hoog als Freek wakker wordt uit een chaotische droom. Reed vader op de Blauwe tram naar Leiden? Nee op de Gele HTM-tram naar Rijswijk, daar reed hij toch op? Maar hij ziet de zwart-wit beelden van Voorschoten, zoals in de film. De tram rijdt knarsend over de samengekropen rails door de Schoolstraat, terwijl langzaam de beelden kleur krijgen. Bij zijn school, De Parkschool, splitsen de rails en herneemt de Blauwe tram naar Leiden zijn eigen spoor. Vanuit zijn klas heeft hij dat vaak gezien. Bij zijn school, zijn klas? Nee dat klopt niet, hij was bij meester Toet in Duindorp, toch? De School Met Den Bijbel, toch? Zijn hoofd schudt wild heen en weer.
‘Doet u maar rustig, alles komt goed, u moet zich niet zo opwinden, dat is niet goed’, hoort hij. Freek doet zijn ogen open en ziet de dokter, die naast het bed staat en komt kijken of alles goed gaat en kijkt of de wond niet ontstoken is. Aan het eind van het onderzoek vraagt hij of Freek nog wat wil weten, die aarzelt, maar vertelt toch over de vreemde gedachten en beelden die bij hem opkomen. De dokter stelt hem gerust: ‘Het komt vaker voor, het gaat ook weer over, rond het hart zitten geheugencellen en soms worden die geactiveerd. Alles komt goed. U boft met de donor, hij kwam uit de buurt en had hetzelfde postuur als u, jullie lijken als twee druppels water op elkaar’.
Als de dokter weg gaat, sluipt een volgende droom naar binnen. Hij loopt door Oud-Scheveningen; smalle straten, kleine huisjes met één verdieping, gehuld in de geur van de haven, vis en teer. Het geluid van de scheepsmotoren en het klappen van de visbakken op de kade wordt weerkaatst tussen de huizen. Hij is er geboren en getogen, heeft er altijd gewoond, als visserman en als eigenaar van de kotter. Ook nadat zijn Ria wegliep met die architect. Ook nadat zijn kotter verkocht moest worden toen het te slecht met hem ging. Dat weet ik zeker, denkt hij, terwijl alles vervaagt en andere beelden het overnemen. Hij komt uit school en loopt door het park, langs de grote vijver, over de Bernhardlaan, naar zijn huis. Het is allemaal zo vertrouwd, angstig vertrouwd: de voortuin, het terras, de geur van rozen, het geluid van het grasmaaien.
Het licht in de kamer is gedempt, gordijnen zijn gesloten, er hangt nog maar één infuus aan de standaard. Freek ligt verlamd in zijn bed. Steeds meer jeugd verdwijnt en hij kan het niet tegenhouden. Een laatste wanhopige gedachte probeert terug te vechten: ‘Van wie is deze jeugd?’
‘Van mij, Ruben,’ komt het antwoord, ‘Ik loop van mijn school door mijn straat naar mijn huis.’ De stem klinkt spottend als die zegt; ‘Ik weet nog veel meer uit mijn jeugd.’ Er komen nieuwe beelden. De hamstervoorraad van Moeder, die in de kelderkast stond te wachten op een volgende wereldoorlog: Friesche-Vlag gecondenseerde melk, suiker, luchtdicht verpakt roggebrood, blikken koffie en de pinda’s. Soms kregen Ruben en zijn zusje stukjes roggebrood met pinda’s en een eierdopje vol dikke melk, die werden onder de tafel stiekem opgepeuzeld. De dierbare herinneringen en de geheime vreugde van toen krijgen opnieuw een plek; een nieuwe jeugd wordt binnengehaald.
Het gaat door, scène voor scène komt voorbij. Hij zweeft de woonkamer in en ziet zijn vader en moeder gekluisterd aan de radio, kleine Ruben zit op de poef dicht bij moeder, zijn hand op haar knie. ‘Dit is het nieuws van acht uur, verzorgd door het ANP,’ zegt de radiostem, ‘De Russische schepen met de raketten voor Cuba hebben hun koers verlegd.’ Het gezicht van zijn vader ontspant, zijn moeder begint te huilen en strijkt achteloos met haar hand over zijn hoofdje. Kleine Ruben voelt dat het gevaar is geweken, morgen wordt het weer stiekem smikkelen. De dagen ervoor begreep hij niet wat er aan de hand was; als hij Moeder probeerde te troosten knelde ze zich aan hem vast en begon ze harder te huilen. Hij deed niet voldoende zijn best, daardoor bleef ze huilen, denk hij. De angst van toen is hem altijd bijgebleven en is in Rubens geheugen gegrift, ergens is een plek gebleven waar schuld zich heeft genesteld. De wereld was nog nooit zo dicht bij een atoomoorlog als toen bij de Cubacrisis in 1962, weet de grote Ruben. Daarna ging alles alleen maar beter, het was ook een keerpunt tussen angst en vertrouwen in de toekomst. Met die gedachte herschikt Ruben zijn jeugd tijdens een helende slaap.

Als hij zijn ogen opendoet kijkt hij nieuwsgierig rond, een frisse blik begroet de nieuwe dag, die door het raam naar binnen komt. Freek den Dulk zit veilig opgesloten in een hoekje van de geest. Hij is Ruben Corbijn, architect, getrouwd met Ria. Zijn leven is het ontwerp op de tekentafel, de geluiden van de bouw, de geur van vers gestort beton en van de onvermijdelijke Nescafé in de bouwkeet. Van het stukje-Freek leert hij wat er aan de hand is, waarom ademen zo’n pijn doet. Ruben zelf weet alleen nog van het afscheid van zijn Ria, het verdriet en de tranen in haar ogen. Hij kon haar niet troosten, oude schuld werd aangeraakt toen hij wegzakte. Nu is hij te zwak, maar als hij is aangesterkt gaan ze reizen. Verre landen, de bergen van Nepal, al is Nepal misschien te hoog gegrepen. Een cruise op zee, lijkt hem ook leuk. Bij die gedachte fronst hij zijn wenkbrauwen, hij houdt niet echt van de zee, ook Ria niet, wel van de bergen. Het verrast hem.
De verpleger komt en spreekt hem aan met meneer Den Dulk. ‘Zullen we eens voorzichtig gaan kijken of u al kan zitten?’ Dan beseft Ruben dat hij Ria nooit meer kan troosten. Voor iedereen is hij Freek den Dulk; Ruben is dood, voor iedereen dood, ook voor Ria. Twee tranen wellen op. De verpleger vraagt of het pijn doet en hij knikt maar van ja. Hij zal het hoekje herinneringen van Freek moeten gebruiken om verder te leven, maar wil hij dat nog? ‘Gaat het weer?’, vraagt de verpleger. Lusteloos werkt Ruben mee als hij overeind wordt geholpen. Op de rand van het bed bungelen zijn benen heen en weer en ziet hij zichzelf in de spiegel boven de wastafel. Er gaat een schok door hem heen als hij zijn nieuwe lichaam ziet, ze lijken echt als twee druppels water op elkaar, zelfs de gezichten zien er hetzelfde uit. Opeens gloort er hoop, Freek is rijk, de kotter is verkocht. Alles is mogelijk. ‘Het is onze Ria’, wordt in het verre hoekje gezegd.