Categorieën
Fictie

Als twee druppels bloed

Het leek hem niet te deren dat ik niet wist van zijn bestaan. Hij liet me achter in de deuropening en streek languit neer op mijn bank. ‘Ik ben echt je tweelingbroer.’ Zijn vingers kamden door zijn dikke, roodblonde haar. Míjn haar, kortgeknipt weliswaar. Alsof ik in de spiegel keek: blauwe ogen, omlijnd door bijna onzichtbare blonde wimpers, borstelige wenkbrauwen en een grote neus en vierkante kin die in zijn gezicht veel minder misstonden dan in het mijne. Er waren ook verschillen. Hij was zo’n tien centimeter langer dan ik, hoekiger en breder in de schouders en over zijn linkerwang liep een litteken, van de zijkant van zijn neus tot net boven zijn kaak. De streep huid was dikker en donkerder dan de rest en alleen daar zaten geen sproeten. Hij was adembenemend.
‘Wil je koffie?’ Wat moest je anders zeggen in zo’n situatie? Hij knikte en ik zette me aan het werk. Lang geleden dat hier een man was geweest, dat er iemand was geweest, laat staan familie. Met de koffie en twee spritsen op een blad kwam ik terug.
‘Leuk woon je hier.’ Hij glimlachte en het litteken verdween in een diepe lachrimpel, als een tweede, verticale glimlach. ‘We hebben dezelfde smaak.’
Ik moest hem vragen hoe het allemaal zat natuurlijk, maar ik wist niet hoe. ‘En waar woon jij?’
‘Ver weg.’ Hij pakte een kussen van de fauteuil en legde die onder zijn hoofd.
‘Maar hoe… Wanneer…’
‘Wat telt is dat we elkaar gevonden hebben.’ Hij sloot één oog en keek me met zijn andere onderzoekend aan. ‘Het was een lange reis. Je vindt het vast niet erg als ik even mijn ogen dichtdoe.’
Ik bleef naar hem kijken tot hij zachtjes begon te snurken. Als kind had ik weleens gefantaseerd over hoe het zou zijn om een zus te hebben, of broer. Een die zou komen logeren, later als ik groot was. Ik legde een dekentje over hem heen.
De volgende ochtend had hij de tafel gedekt voor twee terwijl ik onder de douche stond. Ik at met kleine hapjes een halve cracker en keek hoe hij de witte velletjes van een sinaasappel pelde en zeven sneeën brood met pindakaas en jam at.
‘Ik moet zo werken,’ zei ik.
‘Goed hoor. Ik vermaak me wel.’
Ik kon hem niet wegsturen, mijn tweelingbroer, niet na zo’n lange reis. Dus ging ik naar kantoor, net als anders. De hele dag kon ik me niet concentreren. Mijn notulen stonden vol typfouten, ik vergat de suiker in de cappuccino van mijn baas, liet mijn telefoon vallen en gooide water over mijn toetsenbord.
Na een lange dag kwam ik thuis en bleef staan in de deuropening, sleutels nog in de hand. Mijn tweelingbroer was er niet. Ik had verwacht hem terug te vinden op de bank, waar hij tot nu toe de meeste tijd had doorgebracht, maar die was leeg. Ik ging zitten. Uit de keuken klonk gerommel. Zijn rossige hoofd verscheen om de hoek. ‘Ik ben vast begonnen met koken.’ Alsof hij nooit anders had gedaan.
We aten samen en net als die ochtend at ik wat muizenhappen, hij at voor twee. Hij ontweek mijn vragen en ik durfde niet aan te dringen, ook niet in de dagen die volgden. ‘Later,’ zei hij dan, of: ‘dat is nu te ingewikkeld om uit te leggen.’
Hij bleef en elke dag aten we samen en keken we daarna tv, naast elkaar op de bank. Op tafel stonden twee mokken thee in plaats van één, met in het midden een schoteltje waarop ons gedeelde theezakje tevreden lag uit te lekken. Wat hij overdag deed wist ik niet. Soms vond ik een boek op de salontafel met een ezelsoor op een bladzij halverwege, of lag de afstandsbediening op een andere plek.
Ik raakte gewend aan de geur van man en aan zijn luisterende ogen als ik vertelde over mijn dag. In het weekend gingen we wandelen in het park en voelde ik de mensen naar ons kijken. Zo vaak zag je het niet, een man en vrouw die zoveel op elkaar leken. Ik kon me de tijd zonder mijn tweelingbroer niet meer voorstellen. Hij bewoog steeds vrijer in mijn huis. Soms werd ik wakker als hij in de keuken zocht naar nachtelijke versnaperingen. Alles at hij, zelfs de kerstpakketkoekjes van achterin het keukenkastje. Hij zapte weg bij mijn favoriete tv-programma’s, op zoek naar herhalingen van Britse detectives die ik meestal allang had gezien. Als ik protesteerde, glimlachte hij zijn verticale littekenglimlach en kon ik niet anders dan toegeven. Op een ochtend ging de deur van de badkamer open terwijl ik onder de douche stond. Ik hoorde vanachter het douchegordijn het toiletdeksel openklappen, gevolgd door een harde, langdurige straal in de pot, een diepe zucht en het watervalgeluid van doortrekken. Zonder handenwassen verliet hij de badkamer. We ontbeten net als de andere dagen.
Die avond kwam ik thuis. Even was ik in de war. Waar eerst de bank stond, stond nu de boekenkast en voor de boekenkast was de eettafel in de plaats gekomen. De varen en de gatenplant waren van plek verwisseld en zelfs het schilderij van Lucky, mijn overleden kat, hing ergens anders. ‘Ik heb het beter neergezet,’ was zijn enige verklaring. Ik knikte, schoof de salontafel een centimeter dichter naar de bank en bekeek het resultaat. Het stond inderdaad beter zo.
In de dagen daarna veranderde er meer. Na het ontbijt boog hij over tafel om me een kus op mijn wang te geven, voordat ik naar mijn werk vertrok. Zijn lippen lieten een zachte tinteling achter op mijn huid. Hij ging mijn was doen. Handdoeken en spijkerbroeken, maar ook mijn ondergoed. Mijn witte kanten slipjes hingen keurig elk aan een eigen knijper aan de waslijn. Ik had hem al eerder betrapt op het lezen van mijn dagboek, maar nu schreef hij er ook in. Hij ging verder waar ik was gebleven en beschreef wat wij samen besproken hadden, dat de dominee de moord in het pittoreske Engelse dorpje had gepleegd en dat het vandaag eindelijk zonnig was geweest. Ik pakte de draad op waar hij was gebleven en schreef dat ik hoopte dat hij nog even bleef.
Een paar dagen later verdween hij na onze detective naar mijn slaapkamer. Tot die tijd had hij op de bank geslapen. Ik treuzelde met tandenpoetsen en bekeek mezelf in de spiegel, het gezicht dat ik zo goed kende en nooit had gewaardeerd, mijn hand die steeds sneller ging poetsen. Nog steeds kwam hij mijn kamer niet uit dus duwde ik de deur open. Morgen moest ik weer vroeg op. In het schijnsel van het licht uit de woonkamer zag ik zijn hoofd op mijn kussen, ogen gesloten en zijn mond en litteken gekruld in een tevreden, dubbele glimlach. Ik liet de deur op een kier en sloeg voorzichtig het dekbed open. Mijn tweelingbroer was naakt. Hij was perfect van zijn rossige kruin tot zijn gebeeldhouwde voeten. Vlug trok ik mijn kleren uit en stapte ik in bed. Ik vlijde me tegen hem aan, trok zijn arm om me heen en zo bleven we liggen.
Pas toen mijn wekker ging durfde ik me weer te bewegen. Ik ging naar mijn werk, maar net als die eerste dag kon ik me niet concentreren, alleen op de steeds langzamer tikkende klok, tot ik om vijf uur terug naar huis fietste.
Mijn tweelingbroer was er niet. Alle meubels stonden op de oorspronkelijke plek en hoewel ik jaren zo had geleefd klopte het niet meer. Ik zocht hem overal: in de slaapkamer, badkamer, keuken en buiten in het park en de supermarkt om de hoek. Ik vond hem nergens en keerde terug naar mijn lege huis, dat als ik diep inademde, nog een beetje naar man rook.
In de badkamer boende ik de mascara van mijn betraande gezicht. Ik keek in de spiegel: blauwe ogen, blonde wimpers, borstelige wenkbrauwen, grote neus, vierkante kin. Voor het eerst vond ik mijn mannelijke trekken van een pijnlijke schoonheid. Ik pakte een schaar en zonder nadenken knipte ik mijn roodblonde lokken zo kort als de zijne.
Nog steeds zag ik mezelf.
Ik trok de spiegel van de muur en smeet hem op de grond. Duizend stukjes spiegelbeeld keken me vanaf de badkamervloer aan, alsof ze wilden zeggen: hij is weg, hij komt nooit meer terug. Ik pakte een scherf met een flink scherpe punt. In een grotere scherf bekeek ik wat ik deed. Het moest wel goed gebeuren. Ik zette de punt tegen de zijkant van mijn neus en duwde hem in mijn huid. Onmiddellijk welde een druppel bloed op. Het deed geen pijn, niet echt, maar op de aanblik van mijn bloed, zíjn bloed, liet ik de scherven uit mijn handen vallen.
Ik zocht een pleister en veegde de scherven bijeen.