Categorieën
Fictie

Als mannen vechten

Het bootje dobbert tussen huisraad en losgeraakte stukken hout. Aan boord: mijn lichaam, mijn lijk. Het water heeft de kleur van modder en er zijn krokodillen. In de bomen klonteren groepjes apen samen. Het regent nog steeds onafgebroken. Ergens duikt het kopje van een waterslang op. Slangen bewegen in het water zoals op het land. Het zou me niet verbazen als ze ook konden vliegen. Ik bestudeer mijn glibberige dijen en het klompje vlees ertussen. Het ligt er niet vredig bij, eerder uitgeput. Het heeft maar heel even bewogen. Gelukkig kan ik het niet ruiken.
De regens zijn erger dit jaar, er zijn geen mannen.
De mannen vechten.
Mijn man vecht ook.
Ons huis staat onder water.
Ik dobber er in mijn bootje voorbij.

Hoe dit begon: ik durfde niet naar mijn familie. Misschien zou ik onderweg vermoord worden, of verkracht. Misschien zouden ze me openrijten en het kind uit mijn binnenste scheuren. Of misschien zou hij thuiskomen in een leeg huis. Die gedachte maakte me triest. Voor hem ben ik gebleven. Voor hem heb ik het schoon gehouden. De eerste weken deed ik niks maar later bedacht ik me dat hij elk moment terug zou kunnen komen en ik begon te poetsen. Ik kookte. Als hij terugkwam zou er te eten zijn. Voor hem hield ik mijn ritme aan.
Ik wil niet dat ze me nog vinden.
Ik heb voor wind gespeeld en het bootje richting de delta geblazen.
Er kleven ook voordelen aan het niet langer hebben van een lichaam.

Ik merk dat ik enkel verschijn voor wie zich mij herinnert. Ik heb niks te zeggen over de vorm. Ik zie eruit zoals ik was, de laatste keer dat ze me zagen. Dat stelt me gerust, want niemand was erbij toen ik in het bootje zat. Niemand heeft mij naar adem happend, de dijen besmeurd met bloed, uitgescheurd zien liggen sterven met een mismaakt kind dat slordig uit mijn opening hing.
Gelukkig maar, anders zou ik diegene moeten vermoorden, al weet ik niet hoe.
Er zijn vast manieren.

Ik ben naar een dorpsheks gegaan. Niet naar de onze, die is te grondig. Zij gelooft in haar werk, zij gelooft dat ze het goede moet doen. Een paar dorpen verderop vond ik een laveloos wezen met een kwade dronk. Zij heeft het kind naar de overkant gebracht. Ik zei dat ze mij moest laten, dat ik nog iets af te handelen had. Dat begreep ze wel. Of het kon haar niet schelen.
Eerst ben ik het huis op orde gaan brengen. Ik repareerde wat kapot was, verbaasd over mijn kracht. Er zijn dingen die een vrouw niet kan zo lang ze aan haar lichaam en beperkte spierkracht gebonden is maar wij, de lichaamslozen, beschikken over vermogens die niemand begrijpt. Wijzelf evenmin. Het water is nooit tot de nok gekomen dus ik moest ook de apenpis van de muren schrobben die ik daar ooit zelf op had aangebracht. De mensen denken dat dat ons weghoudt. Onzin. We zijn er wel, we kunnen alleen niet verschijnen. En dat was nu juist mijn plan – verschijnen, me mengen in het leven van alle dag.

Restte één probleem: ik had geen kind meer. Ik kon hem moeilijk een verwrongen klompje vlees met horrelvoet voorhouden. Ik had iets beters nodig. Ik schuimde alle bevallingen in de omgeving af. Gehurkt zat ik naast barende vrouwen te wachten op wat komen ging. Sommigen voelden mijn opgewonden adem hijgen in hun nek.
Helaas waren de meeste mannen weg dus er werden weinig kinderen geboren. Bovendien zijn de vrouwen hier sterk en de vroedvrouwen wijs. Met levende baby’s kon ik niks, natuurlijk. Uiteindelijk had ik beet. Uit een mooie, jonge vrouw kwam een gaaf maar doodgeboren kind te voorschijn. Ik griste gauw het zieltje mee, voor het weg kon drijven.
Als het begint te huilen leg ik het aan mijn borst.
Baby’s zijn dom, levend of dood. Lief, maar dom.

Op een dag kwam hij terug, uitgemergeld en angstig. Ik voedde hem, bracht hem de baby. Waste hem en bracht hem naar bed. Hij sliep. Dat is wat hij deed de eerste dagen, eten en slapen. Later werden we gelukkig maar ’s nachts, als hij slaapt en zijn hoofd bevolkt wordt door de demonen van de oorlog, trek ik er vaak op uit. Met nachtrust heb ik niet veel op en trouwens, aan die demonen kan ik weinig doen. Ze hebben geen ziel, ze zitten in zijn hoofd, ze zijn verankerd in zijn vlees. Ik zoek mijn bootje, of hijg in de nek van een barende vrouw. Ik word keer op keer naar dat wonder teruggetrokken.

We zijn nog steeds gelukkig, hij, de baby en ik, als hij op een avond aankondigt dat hij drie maten uit het leger te eten heeft gevraagd. Hij is trots op ons, zegt hij, trots op mij. Op ons huiselijke huis, op het lekkere eten, op de baby. Over wat er ondanks alle vernietiging nog overeind staat. Ik slik. Ik wist ook wel dat dit eens moest gebeuren.

*

Mijn vrienden zien lege borden, een vervuild huis. Vrouw en kind zijn nergens te bekennen. Aanvankelijk houden ze hun mond en spelen ze het spel mee, maar ’s avonds, als we voor het huis zitten te praten en te roken, polsen ze voorzichtig hoeveel waarheid ik hebben kan. Ik blijf verstijfd zitten maar luister aandachtig. Ze vertellen me dat ze denken te weten wat ze is. Daarna leef ik nog even in een wereld van dampende pho en vrolijke baby’s maar ik vertrouw mijn zintuigen niet langer. Ik breng het niet meer op om met haar te praten.

Ik laat de dorpsheks komen. Mijn vrouw staat voor me, het kind ligt te slapen en de heks gebiedt me ondersteboven, tussen mijn benen door, het huis in te kijken. Ik zie chaos en waterschade. Ik kom overeind, kijk haar aan en zij haalt hulpeloos haar schouders op. Ik draai me om, kijk weer door mijn benen en ik zie haar niet. Ik kom weer overeind, keer me naar haar om en zoek nogmaals verbijsterd oogcontact. Ik herhaal deze beweging meermaals maar er komt geen woord over mijn lippen.

*

Hij slaapt in de woonkamer. Ik houd de schijn nog op al snap ik soms niet waarom. Ik geloof dat ik nog even wil blijven, ik wil nog even naar hem kijken. Ik wil dat hij mijn aanwezigheid nog even voelt, de geur van jasmijn die in mijn haar hangt nog af en toe opsnuift. Ik wil me voorbereiden op ons afscheid.

Op een avond, als zijn eenzaamheid hem te zwaar weegt en hij de ontreddering niet langer de baas kan, doen we het. Zoals vroeger. Hij komt snel klaar, hijgt uit, verbijt zich en doet het nog een keer. Nu probeert hij de tijd te rekken. Hij wil zo lang het hem lukt deze waanzin vasthouden tot hij nogmaals schokkend klaarkomt. Daarna is hij radeloos en genezen. Daarna raakt hij mij niet meer aan.

De heks komt terug. Ze bemiddelt tussen ons. Ik vertel haar mijn verhaal, zij vertelt het door. Hij knikt zo nu en dan maar stelt geen vragen. Alles wat ik zeg verdwijnt in de diepte. Zij tekent karakters in rode inkt op witte vellen papier, haalt er mijn voorouders bij, sust me in slaap. Ze zegt dat ik los moet laten al weet ik niet wat ik los zou moeten laten want ik had niks vast. Straks ben ik weg en is hij alleen in een kapot huis. Dan kan hij me niet meer aanraken, dan kan ik hem niet meer voeden, dan kan hij niet meer in me komen. Dan besta ik alleen nog in zijn slaap. Dan zal ik één van de demonen geworden zijn, verankerd in zijn vlees.