Categorieën
Fictie

Alles wordt altijd anders

Hij zag haar niet toen ze de straat overstak. Zij keek naar beneden; haar hart was al in haar schoenen gezonken toen ze hem zag, en dus klapten ze vol tegen elkaar aan. Een botsing tussen twee mensen met een paar gemeenschappelijke herinneringen.
– Auw, zei zij.
Hij wreef over zijn voorhoofd.
– Goed je weer te zien.
Hij lachte. Zijn reactie was ronduit vreemd, dat moest hij achteraf ook toegeven. Ze stonden nog steeds midden op de weg en in de verte kwam een auto aanbrommen. Zij begeleidde hem naar het trottoir. Ze veegde haar haar naar achter.
– Hoe is het met je?
Hij lachte weer.
– Afgezien van de knallende koppijn, gaat het wel prima. Hoe gaat het met jou dan?
Ze grimaste. Ze had het gevoel dat hij dacht dat ze expres tegen hem was aangelopen.
– Met mij gaat het ook wel prima, zei ze. Heb je veel slapeloze nachten?
– Een paar, maar het gaat steeds beter. Schrijf je nog?
Haar telefoon gaat.
– Sorry, momentje.
Ze draait zich van hem af en begint met zachte stem aan het gesprek.
Intussen vraagt hij zich af wanneer hij haar voor het laatst gezien heeft. Het voelt langer geleden dan dat het is, maar zoals ze hier nu staat, zou het ook zomaar gisteren geweest kunnen zijn.
– Heb je tijd voor koffie?
Ze schrikt hem op uit zijn gedachten. Het telefoongesprek is afgelopen en ze heeft zich weer naar hem toegedraaid.
Hij gaat met haar mee, zoals hij dat gewend was.

Het viezige bruine maar vertrouwde koffietentje bestaat nog steeds. Net als hun vaste tafeltje. Er ligt een laagje stof op, alsof er gewacht is op hun komst. Alsof er niemand meer geweest is na die laatste keer dat zij er waren.

Ze praten wat over koetjes en kalfjes, en nippen aan hun koffie.
– Het is vreemd wat tijd met je doet, zegt ze ineens.
Hij verslikt zich bijna in zijn koffie en vraagt haar om uitleg.
– Nou, het lijkt al zo lang geleden dat ik hier huilend aan dit tafeltje zat en dat jij toen de deur uitliep.
– Is het dat niet dan?
– Is het wat niet?
– Lang geleden?
Ze lacht naar hem, op de manier waarop hij hoopte dat ze dat voor altijd zou doen. De koffie wordt langzaam koud.
– Hoe oud is James nu?
– 3 maanden
– Dan is het dus niet zo lang geleden.
Het gesprek verstomd. Buiten begint het te stortregenen.

Die dag regende het ook. Het was een paar dagen nadat hij het moeilijkste, maar ook het beste besluit van zijn leven had genomen. Dat alles zomaar ineens kon veranderen. Hij had haar gebeld of ze naar hun koffietent kon komen. Dat kon. Hij was er zo langzaam mogelijk, met door lood verzwaarde schoenen naartoe gelopen.
Na de eerste kop koffie had hij al hun dromen opgeblazen. Er zou een kind komen van hem en zijn vriendin. Nu, na al die jaren waren ze eindelijk zwanger. Er was geen ruimte meer voor haar en de plotselinge wederzijdse verliefdheid die zo onverwacht de kop had opgestoken.
Ze was er kapot van.
Hij was er kapot van.
Hij liet haar en zijn halve kopje koffie achter.
Hij was zo opgevoed. Goed opgevoed, zouden zijn ouders gezegd hebben. Doen wat goed is. Er kwam een kind, zijn kind, en hij zou er zijn.
Zij viel er buiten. Zij bleef achter. De eerste weken had ze geen moment nuchter doorgebracht. Ze had er niks over gezegd. Ze lachte nu naar hem alsof er niks gebeurd was. Ook haar leven ging door. Eerst zonder dat ze het zelf doorhad. Later, toen ze weer bij zinnen kwam, kreeg alles steeds meer kleur. Dingen hadden weer geur. Smaak. Ze ging weer nieuwe dingen doen.
– Hoe gaat het met jou?
Hij probeerde het voorzichtig te brengen, bijna bang voor haar antwoord.
– Ik leef nog.
Ze keek alsof ze het meende en lachte toen hardop.
– Ik doe…dingen.
Ze miste hem. Heel erg. En ze haatte haar. Ze had nog nooit zo’n hekel gehad aan een vrouw die ze eigenlijk niet kende. Het voelde bijna smerig.

Nadat ze een tijdje gepraat hadden, zei hij iets wat haar raakte.
– Ik hou nog steeds het meest van jou.
Ze wilde het niet. Ze wilde het niet, maar ze begon te huilen. Hartverscheurend. Mensen aan andere tafeltjes keken om te zien wat er aan hun tafeltje gebeurde.
Hij stond op om de rekening te betalen. Hij was gestopt met afscheid nemen. Zonder iets te zeggen verliet hij toen de koffietent. Buiten was het gestopt met regenen. Hij was haar al weer bijna vergeten. De zon scheen weer. Het werd een goede dag.