Categorieën
Fictie

Alles wat ik je niet vertel

[bovenkop]
Par, Cornwall Engeland 1986

[kop]
Alles wat ik je niet vertel

Papa blijft lang weg. De vrouw achter de bar in het zeemanshuis knikt me nog maar eens bemoedigend toe. De Beano heb ik al drie keer doorgebladerd en de cola smaakt vies. Het ruikt hier ook naar oude dingen. Ik heb een beetje maagpijn en verveel me, maar ik durf me niet zo goed te bewegen. De man met tatoeages die aan de bar zit, kijkt steeds mijn kant op als ik me beweeg en ik durf niet zo goed naar de wc te gaan. Ik doe nog maar een beetje net alsof ik aan het lezen ben. Ik laat mijn tong over mijn tanden glijden. Ik voel dat ze een vettig laagje hebben. Ik moet zo echt aan papa vragen om een tandenborstel voor me te kopen. Ook de machinist die zijn vriendin, een jong hippiemeisje, heeft meegenomen op deze reis had geen extra tandenborstel voor mij. Ze zei wel lief dat ik de hare mocht gebruiken. Maar dat leek me niet zo’n goed idee.

Mijn moeder had tijdens het inpakken van mijn koffer alleen maar wat kleding en een spel Mens Erger Je Niet! ingepakt. Geen speelgoed, geen boeken, niets. Het zwempak heeft mijn tante nog gauw in de koffer gestopt de avond voor we naar Schiphol zouden gaan. Ik logeerde samen met opa en oma een nachtje bij haar. Misprijzend had ze haar hoofd geschud toen ze de inhoud van mijn kleine koffer bekeek. “Wat heeft je moeder je toch weer rare kleding meegegeven. Moet je straks met je vader naar de kerk of zo?” Ik voelde me heel ongemakkelijk en kreeg weer een zwaar gevoel in mijn buik. Ze stopte snel nog wat T-shirts en korte broeken van mijn nichtje in de koffer. “Dan hoef je niet voor schut te lopen.”

Ik zit wat met mijn benen te bengelen en schat in of ik niet even naar buiten moet lopen om alvast te kijken of mijn vader er al aan komt. Maar iedere keer als ik omhoogschiet, kijken de barvrouw en de tattooman mijn kant op. Ik zak weer zuchtend in de harde houten stoel. De rand van de stoel voelt ruw met scherpe puntjes als ik er met mijn vingers overheen wrijf. Papa heeft beloofd dat we straks een wandeling langs het strand gaan maken en dan teruglopen via de bergen.

Papa staat bij de deur. Eindelijk. Hij geeft een man met een bruine dunne leren tas een hand en wijst naar mij. De man die scheve tanden heeft en een grote bril draagt, lacht naar mij. Ik krijg weer een ongemakkelijk gevoel. Waarom gaat hij niet weg dan kunnen we gaan. Morgen varen we richting Frankrijk en komen opa en oma ook weer aan boord. Daar kijk ik naar uit, want ik moet nu mezelf vermaken als papa aan het werk is. Ik heb van mijn kajuit iets gezelligs proberen te maken en plaatjes uit de Spaanstalige Donald Duck op de muur geplakt. Ik kan ze helaas niet lezen. Mijn vader heeft twee zakken Milky Ways en Marsjes voor me gekocht, waarvan ik er tot zijn schrik al één helemaal heb leeggegeten.

We wandelen langs het strand en ik vind allemaal schelpjes met in het midden de vorm van een zeester. Zeevogels dansen rondjes met elkaar in de grijze lucht en krijsen naar elkaar alsof ze tikkertje spelen. Het ruikt hier naar zeewier, verf en metaal. Golven die gevaarlijk hard tegen de kust stukslaan. Mijn vader is stil en hij voelt weer een beetje eenzaam aan. Weer dat zware gevoel in mijn buik en nu ben ik ook misselijk. Ik probeer hem een beetje op te vrolijken en vertel hoe leuk ik Lissabon vond en dat ik twee kleine zwarte vogeltjes mocht uitzoeken op de markt. Die staan nu in een houten kooitje in de hut van het schip. Het was er zo warm geweest dat we door een ondergronds tunnel zijn gaan wandelen. We hadden er gek kersenijs gegeten dat naar mierzoete snoep smaakte. Mijn vader blijft in gedachten verzonken strak naar de horizon kijken. Het is lang stil. Mijn buik voelt inmiddels aan als schuurpapier.

“Mag ik voortaan bij jou op schip blijven?”, vraag ik hem. Dat lijkt me wel een goed idee. Mijn vaders gezicht licht even op en ik zie dan kort een kleine glimlach en ondeugende ogen. “En je broertje en zusje dan? En je moeder?” Ik haal mijn schouders op. Ik had nu in mijn zevende levensjaar meer vrijheid dan ooit en elke dag was anders. Het avontuur van alle havens die we aandeden en de stadjes die we bezochten. Ik voel me een echt schipperskind. Het vooruitzicht om weer naar huis te moeten gaan, doet me ineenkrimpen.

We gaan patat halen bij een Wimpy. Als de man in de kraam mij het kartonnen rode doosje met friet aanreikt, vraag ik teleurgesteld aan mijn vader waarom er geen mayonaise op zit. “Die is er niet. Stomme Wimpy.”

Mijn vader en ik hadden allebei een geheim dat we toen niet echt van elkaar wisten. We herkenden elkaar in een gedeelde eenzaamheid. Het schurende ongemakkelijk gevoel van dingen die niet klopten. Hij zou zijn geheim en het verdriet nooit met een zevenjarig kind kunnen delen en ik kon mijn pijn niet in woorden vatten. De schaamte, de vernedering. Maar hij was mijn held met wie ik aan dat strand in Par luchtkastelen bouwde en over verre reizen en prachtige avonturen kon dromen. Ik was even kind.