Categorieën
Fictie

Alleen als we samen zijn

Ze kunnen ieder moment aankomen en de aperitief staat nog niet klaar. Gehaast vul ik de schalen met verse hummus, crackers, dadels en olijven. De hapjes plaats ik naast de theelichtjes op de salontafel. De bel gaat. Ik wrijf mijn jurk glad en adem diep in. Verdorie, ik ben me vergeten te schminken.
Als ik het ene koppel aan de voordeur begroet, steekt het tweede hand in hand de straat over. Iedereen kust elkaar vrolijk op de wang en komt binnen. ‘Wat leuk dat we met z’n allen nog een keer samenzijn’, weerklinkt het door de gang. Ik krijg een boeket bloemen en een fles in mijn handen gestopt. ‘Dank u, dat hadden jullie echt niet moeten doen’, zeg ik. ‘Hang jullie jassen maar aan de kapstok’. Terwijl ze hun winterse tenue afschudden, kijk ik naar de fles wijn. ‘Goede keuze’, knik ik. Mijn duim glijdt over de scheurtjes in het etiket. Waarschijnlijk zo’n doorgeeffles die al in meerdere huiskamers braaf wachtte om naar een volgend feestje te worden meegesleurd.
‘Wat willen jullie graag drinken?’, vraag ik als mijn gasten zich in duo’s in de sofa’s hebben geploft. Cava. Cava. Duvel. Cava. Ik haal de flessen uit de koelkast en breng ze samen met de bijhorende glazen naar het salon. Met een zucht popt de kurk zich omhoog. Zoals het hoort. We kijken in elkaars ogen en klinken op het nieuwe jaar.
Het is al midden januari en ik slik mijn teleurstelling in. Het voorbije decennium vierden mijn twee beste vrienden en ik altijd samen oudjaar. Maar sinds ze allebei een vriendin hebben, zijn ze veranderd. Spontaan nachtenlang op café hangen is een wazige herinnering uit hun vrijgezellenbestaan geworden. Zelfs verjaardagen vier ik pas dagen later met hen. Soms verwijt ik ze dat ze me vergeten zijn. In gedachten toch, want gelukkig zijn ze er wel als ik het vraag. Zo stonden ze als vanouds te springen om me vorige maand te helpen met verhuizen.
‘Ja, ja. Ik ben het hier al goed gewoon. Na enkele dagen stond alles op zijn plaats. Ik ben blij dat die verhuizing eindelijk achter de rug is’, zeg ik en steek een olijf in mijn mond. Met z’n drieën praten we over de kartonnen doos die vanonder loste, waardoor mijn boeken het gangpad bezaaiden. We lachen om het Ikea-bed dat we zonder handleiding niet in elkaar kregen. ‘Vroeger waren we toch handiger?’, grap ik. ‘Weet je nog toen we samen drie weken in Oostenrijk kampeerden en de tent…’ De schelle stemmen van de liefjes verscheuren de vakantie die ik ophaal met goedbedoelde complimenten. Ze beamen dat ik hier mooi woon, dat ik het huis zo gezellig heb ingericht. Ze vragen waar ik die kleurrijke geglazuurde schalen heb gekocht en of ik me ’s avonds niet te eenzaam voel.
‘Oh, dat zijn souvenirs van mijn wereldreis. En nee, ik geniet juist van de rust’, antwoord ik. ‘Eindelijk hoef ik niet langer rekening te houden met anderen. Ik kan doen wat ik wil.’ De vriendinnen kunnen het zich niet voorstellen. Alleen wonen, en dan nog zonder huisdier. Of een kat niets voor mij is? Ik glimlach schaapachtig en zwijg over mijn allergieën. Ondertussen is het vorige onderwerp vervlogen. De twee dames praten verder met elkaar om de stilte geen kans te geven. Het gesprek pingpongt over en weer, maar ik speel niet mee. Ik dacht dat hun aanwezigheid zou wennen, zoals een nieuwe huiskamerplant op de hoek van de vensterbank dat doet. Maar zij staan hier niet voor de sier op de achtergrond. Ze zitten op de eerste rij en roepen luid tot ik hun dorst les.
Ik giet de glazen nog eens bij. Dan worden de herinneringen aan de afgelopen feestdagen op tafel gegooid. Ze zuchten. Beide stellen hebben een hele stoet van feesten en samenkomsten achter de rug. Met hun twee agenda’s holden ze van kantoorreceptie naar familiefeest naar vriendschapsdrink naar gezinsuitstap en terug. Ik ben de eindhalte. Ze zijn opgelucht dat het overmatig eten, de rijkelijk vloeiende drank en de zinloze cadeaus gepasseerd zijn voor een jaar. Het nieuwe begin brengt uiteraard ook goede voornemens met zich mee. Meer sporten. Minder werken. Meer tijd maken voor wat echt belangrijk is. De renovaties van ons huis afwerken, hé schat. Een grote reis maken met ons tweetjes, hé lieverd.
‘Het eten zal klaar zijn’, onderbreek ik terwijl ik naar de keuken loop. Als ik het deksel van de tajine ophef, vullen de Marokkaanse specerijen het huis. Ik roer door het pruttelende vegetarische stoofpotje. De malse groenten glijden langs de houten lepel. Ik snijd de platte broden tot zes driehoeken en serveer ze op een keramieken bord. Ondertussen schuift de vriendengroep aan. Er blijft nog een plaats over aan het hoofd van de tafel waar ik naast de twee lieven ingesloten zit. Zouden hun vriendinnetjes bewust een kloof tussen mijn kameraden en mij vormen? Ik bedien mijn gasten en schep mijn vermoedens weg.
De wolken van het warme gerecht doen mijn bril aandampen. Als elk bord gevuld is, open ik een fles rode wijn en schenk iedereen in. De complimenten over mijn kookkunsten volgen elkaar op. Ik glunder en dep het brood in de ingedikte saus. Er wordt gemorst op het tafelkleed. Langzaam slurpen we het gesprek op. Elk koppel vertelt over hun weekendplannen, waarbij de wederhelften elkaars zinnen afmaken. Onverstoorbaar praten ze de avond aan elkaar.
De tweede fles rode wijn staat ondertussen naast mij. Na elk verhaal schenk ik mijn glas terug vol. Ik drink als enige voor twee vanavond. De wijn heeft een bittere afdronk. De avondlucht wordt almaar zwarter en ik hoor steeds minder goed waarover ze praten. Mijn tong zwelt op en mijn mond verstijft in een paarse glimlach.
We zitten voor onze lege, besmeurde borden en moeten gapen. De avond hebben we helemaal opgegeten. Er valt nog weinig te zeggen. Ze maken aanstalten om te vertrekken, want het komende weekend hebben ze het druk druk druk. Beleefd bieden ze aan om te helpen bij de afwas. ‘Ik zal het morgenvroeg wel opruimen’, zeg ik. We nemen afscheid in de gang, waarna elk koppel zijn eigen weg gaat. Ik zie mijn twee beste vrienden dubbel. En tegelijkertijd zijn ze maar half, samengesmolten met hun partner.
Ik sluit de voordeur en zoek de warmte van mijn huis op. Mijn woonkamer is een slagveld van halfvolle schalen en vuil servies geworden. Ik ga in de sofa liggen en spoel de laatste slok rode wijn door. Mijn verkleurde lippen rusten op elkaar. De klok tikt luider dan daarnet. Het monotone ritme maakt me slap. Ik geeuw. Het kaarslicht danst met mijn adem mee. Ik dommel zachtjes in.
Enkele uren later schrik ik wakker. De straatverlichting brandt nog altijd, maar de stad begint alvast te ontwaken. Met een houten kop sta ik op en slenter naar de badkamer. Ik trek mijn bezwete feestjurk uit en douche me. Met mijn dikke kleren en trekschoenen aan ga ik terug naar de keuken. De achtergelaten restjes van de tajine schep ik over in een plastic potje. Mijn maag draait zich om me te vertellen dat ik pas rond de middag honger zal krijgen. Ik vul twee drinkflessen met kraanwater. De opeengestapelde schotels laat ik verder aankoeken. Ik zal het morgenvroeg wel opruimen.
Met een volle rugzak wandel ik naar mijn omgebouwde bestelwagen. Ik doe de koffer open en gooi mijn rugzak op de matras. Mijn kater laat ik op het parkeerterrein achter. Zonder kompas of plan begin ik te rijden. Ik glijd de zonsopgang tegemoet, op zoek naar een plekje natuur. Beelden van de vorige avond flitsen als auto’s op een snelweg door mijn hoofd. Het was toch gezellig. En ik heb toch ook gelachen. Misschien te veel wijn gedronken. Het eten heeft alleszins gesmaakt. Ik had beter mijn best kunnen doen.
Een half uur lang draaien deze zinnen rondjes in mijn hoofd. Ik vertraag als ik rechts afsla. Ik volg de hobbelige weg tot ik omsingeld ben door bomen. In het midden van het bos parkeer ik en stap ik uit. Ik adem diep in. Waren ze maar hier.