Categorieën
Fictie

Afzuigmus

Peter zat op de WC zijn tanden te poetsen. Marloes vond dat een ‘onhebbelijke gewoonte’, maar Peter vond het een knap staaltje multitasken. Je tanden poetsen was verrekte saai en op de plee zitten ook, en zo sloeg hij maar mooi twee vliegen in één klap. En bij het tandenpoetsen bleef hij nooit per ongeluk zo lang zitten dat zijn benen in slaap vielen. Dat had hij wel als hij zijn telefoon mee nam.

Marloes moest sinds haar zwangerschap – dertien jaar geleden – zo’n beetje overal van kokken. Daarom moest ze bij het tandenpoetsen altijd pal naast de wasbak blijven staan; om te voorkomen dat ze opeens een mondvol tandpasta de badkamer rond zou sproeien als ze te lang wachtte met spugen. Dat was de echte reden dat zij niet deed aan Peters type multitasken, maar dat zou ze zelf nooit toegeven dus zei ze alleen maar dat hij niet zo goor moest doen.

Nu riep ze iets van beneden.

‘Wad?’ riep Peter terug met de tandenborstel nog tussen z’n kiezen.

‘Peet! Joh! Je moet echt even komen. Peet!’

‘Ik beh ewe bezik!’

‘Hè?!’

Peter trok de tandenborstel uit z’n mond en slaakte een diepe zucht. Waarom kon ze niet gewoon naar boven komen als ze wat te zeggen had? Hem gaf ze altijd op z’n flikker als hij tegen haar probeerde te praten terwijl ze op de WC zat. ‘Ik ben effe bezig!’

‘Ja, maar nee. Joh. Je moet me even helpen, oké?’

Peter smeet van een afstandje z’n tandenborstel in de wasbak en schuifelde met z’n broek op z’n knieën naar de badkamerdeur, die hij zo hard opentrok dat hij bijna zijn evenwicht verloor. ‘Wat is er dan?!’ brulde hij richting trapgat.

‘Er zit weer een vogel in de afzuigkap!’ brulde Marloes terug.

Die vogel zat niet echt in de afzuigkap, maar in de afvoerpijp er boven die door de muur de vieze lucht naar buiten blies. Het kapje dat dat aan de buitenkant zou moeten afdichten lag eraf en om de een of andere reden vonden vogels het een slim idee om daar dan in te gaan zitten. En mooi niet dat ze er dan zelf weer uit kwamen.

‘Kan Mikey niet effe helpen?’ Peter zette zijn voeten wat meer uit elkaar zodat z’n broek niet verder af zou zakken.

‘Nee, die zit bij Berat. Eén of andere groepsopdracht voor wiskunde.’

‘Een groepsopdracht voor wiskunde? Wat is dat nou voor een kolder?’

‘Joh, kom je nou naar beneden of wil je wachten tot die vogel een ei heeft gelegd?’

‘Of wil je wachten tot die vogel een ei heeft gelegd?’ aapte Peter haar na met een vies gezicht en een raar piepstemmetje. Maar niet zo luid dat Marloes hem kon horen.

Toen hij een minuut later de keuken in liep, zei ze doodleuk dat het eerste ei inmiddels waarschijnlijk al uitgekomen was. Peter zei maar niks terug. Een paar seconden lang keken ze samen naar de metalen afvoerpijp, waar inderdaad overduidelijk een vogel in vast zat. Ze hoorden het beestje met zijn vleugels tegen de pijp aan slaan en er werd paniekerig gepiept. Opeens draaide Marloes haar gezicht naar Peter toe. ‘Zeg, heb jij eigenlijk wel je handen gewassen?’

‘Wat is dat nou weer voor een vraag? Ik moest toch opschieten?’ antwoordde Peter, die inderdaad niet heel enthousiast zijn handen had gewassen. Hij had ze ook niet echt afgedroogd dus dat liet hij maar even zien, als bewijs dat hij ze wel had gewassen. Weer keken ze allebei naar de afvoerpijp.

‘Ik ga dat beest niet pakken, hè?’ zei Peter. Hij vond vogels maar enge beesten, met die schubbige klauwtjes van ze. En straks brak hij er per ongeluk een vleugel af of zo en dan moesten ze weer naar de vogelopvang. Daar had hij echt geen zin in.

‘Nee, dat doe ik wel. Gewoon met een theedoek, dat heb ik de vorige keer ook gedaan.’

‘Ja zeg, waarom moest ik dan zo snel naar beneden komen?’ Nou werd-ie mooi.

‘Omdat eerst die kap eraf moet en ik weet niet waar jij die schroevendraaier hebt gelaten. Hij ligt niet in de la en ook niet in de schuur.’

‘Eh, ja, die ligt in het dashboardkastje.’

Marloes zei niets maar het was duidelijk dat ze dat een domme plek vond om de schroevendraaier op te bergen. Peter wilde gaan uitleggen waarom het logisch was dat dat ding daar lag, maar de vogel in de afvoerpijp onderbrak hem door opeens op te houden met zijn herrie.

‘Hij is toch niet dood, hè?’ vroeg Marloes.

‘Ik pak die schroevendraaier wel even.’

In een dooie vogel had Peter al helemaal geen zin. Gelukkig was dat beest weer volop aan het bonken toen Peet even later terug kwam uit de garage.

‘Hé, Loes, had jij niet zo’n nieuw afdekding besteld?’ Dit was al de derde vogel die de pijp in was gevlogen. Peter hield de onderkant van de afzuigkap vast terwijl Marloes de schroefjes los draaide. Haar rode krullen kriebelden in zijn neus.

‘Ja, maar die is kwijt in de post.’

‘Hoezo kwijt?

‘Ik krijg al drie dagen de melding dat ze hem tussen twee en vijf komen brengen, maar ik heb die pakketbezorger de hele week nog niet gezien.’

Marloes gooide het laatste schroefje in een leeg kopje en pakte de theedoek. ‘Heb je hem? Oké, jij laat langzaam dat rooster zakken en dan pak ik hem snel met de doek.’

Peter zette zich schrap, probeerde heel hard om niet aan schubbige vogelpoten te denken en liet het rooster zakken, maar er kwam geen vogel uit de pijp.

‘Huh?’ zei Peter. Hij legde het rooster van de afzuigkap op het fornuis.

‘Joh,’ zei Marloes. Ze scheen met de zaklamp van haar telefoon de pijp in. ‘Hij zit op het randje.’

‘Hoezo randje? Is hij weer naar buiten?’ Peter probeerde ook te kijken maar dat lukte niet want Marloes hing nog met haar hoofd onder het gat.

‘Nee, er zit daar een randje. Ik zag z’n staart.’ Ze ging weer rechtop staan. ‘Misschien kunnen we hem lokken met een meelwormpje?’

Die hadden ze altijd in huis voor die stomme baardagaam van Michael. Peter wist niet wat hij smeriger vond: vogels, meelwormen of die stomme baardagaam. Hij snapte niet waarom Marloes daar niet van moest kokken.

‘Jezus, Peet, wat ben jij een watje.’ Marloes duwde hem de theedoek in z’n handen en marcheerde de keuken uit. Voordat hij ‘nee, wacht’ kon zeggen, hoorde hij haar de trap al op lopen. Hij hield de theedoek een beetje slap onder de pijp. Zou je net zien dat die vogel naar beneden pleurde voordat Marloes weer terug was.

Marloes was pas 22 seconden later weer beneden, met twee bakjes levende insecten. Getverdemme.

´En nu? Als hij met z’n staart deze kant op zit, ziet-ie die vieze dingen toch niet?’

Marloes haalde de deksel van het kleinste bakje. ‘Ik hou ze gewoon hieronder, en dan even schudden en dan – ’

Opeens ging keihard de bel.

Peet gaf een gil, Marloes trok met een ruk de bak met insecten onder de afzuigkap vandaan, de levende meelwormen vlogen in het rond, de vogel pleurde uit de pijp en Peter liet de theedoek uit z’n handen flikkeren en riep een paar ontzettend gore scheldwoorden. De vogel – een mus – hupte wild fladderend over het aanrecht en trapte in de boter.

‘Loes, pak hem! Loes!’

Maar Marloes was er vandoor. Lekker dan. Nog voordat Peter weer kon beginnen met schelden, was ze er al weer, met een fleecedekentje uit de woonkamer.

‘Peet, effe chillen nu. Je jaagt hem helemaal over de zeik.’

‘Ik jaag hèm over de – ’

‘Sst! Stil nou. Doe de deur even dicht.’

Peter deed snel de keukendeur dicht en Marloes sloop op de vogel af met de fleecedeken voor zich. De mus zat in het hoekje naast de gootsteen te hijgen.

‘Stil maar, lieverd, niks aan de hand. Ik ga je geen pijn doen. Kom maar, kom maar… yes!’

Triomfantelijk draaide ze zich om naar Peter, die alleen maar stom kon kijken.

‘Wat is er?’ vroeg Marloes verward.

‘Niks. Niks, eh, je haar zit leuk zo.’

‘O, nou, dankjewel.’

Peter kon zien dat ze haar haren aan wilde raken maar dat kon niet omdat ze die mus vasthield.

‘Kom maar, ik doe de achterdeur wel open.’

Marloes zette de mus voorzichtig op de tuintafel. Hij keek even duf om zich heen en ging er toen snel vandoor.

‘Wie belde er nou zo idioot hard aan?’ vroeg Marloes.

Toen Peter de voordeur open deed, stond daar niemand, maar de postbode stond twee huizen verderop met de buurvrouw te praten.

‘O, dan hoeft het niet. Toch bedankt!’ zei de postbode toen hij Peter zag. ‘Hier, voor u.’ Hij gaf Peter een klein plat pakje dat makkelijk door de brievenbus had gepast.

Het nieuwe afdekplaatje voor de afvoerpijp.

‘Bedankt, hè,’ zei Peter droog.

‘Graag gedaan!’ riep de postbode met een zwaai. ‘Fijne dag nog!’ En hij liep irritant vrolijk fluitend terug naar zijn busje.