Categorieën
Fictie

Afscheid

Afscheid

`Toen ons vijf dagen geleden het ontstellende bericht bereikte over Johanna`s dood, waren wij vijfendertig jaar getrouwd. Niet alleen haar overlijden, maar ook de manier waarop, heeft ons enorm aangegrepen. Voordat wij Johanna zo meteen naar haar laatste rustplaats begeleiden, wil ik jullie kort iets vertellen over haar leven.`
Papa werpt een blik op de kist vóór hem en laat daarna zijn blik over de aanwezigen glijden alsof hij hun aantal probeert te schatten.

Het zijn er ruim honderd denk ik, terwijl een golf verdriet aanzwelt. Of is het mededogen? Door de manier waarop mama om het leven is gekomen en ook vanwege het lot dat haar als jonge moeder trof, ligt mededogen meer voor de hand. De dood van haar eerste kind Tristan, in 1990 op vierjarige leeftijd, heeft haar nooit losgelaten. Denk ik. Dat verdriet was háár domein, haar lot, daar kon niemand bij. Zo wekte ze twee keer mededogen: met het verdriet dat schemerde onder alles wat ze deed en door haar onvermogen om dat leed te verbergen.

Papa en ik waren voor een korte vakantie in Friesland toen het ongeluk gebeurde. Op de tweede avond van ons verblijf belden we haar. Tevergeefs. `Ze ligt vast te slapen,` probeerde papa ons gerust te stellen, maar toen ze ook de volgende dag niet opnam, keerden we ongerust terug. De voordeur was van binnenuit vergrendeld, we waarschuwden de politie en de brandweer. De schouwarts vertelde ons die avond dat ze waarschijnlijk van twee hoog van de trap was gevallen en drie dagen dood voor de deur had gelegen. Op zijn advies hebben we mama niet meer gezien.
Terwijl papa en ik de rouwkaarten schreven, de familie ontvingen, de kist en de grafsteen uitzochten, welden er steeds meer vragen in mij op: kan rouw dertig jaar duren? Waarom heeft ze nooit hulp gezocht? Waarom is ze na haar ontslag in 2010 nooit op zoek gegaan naar ander werk? Ik nam me voor het allemaal aan papa te vragen. Later.

Hij kijkt weer naar zijn tekst. Zojuist heeft hij mama`s beschermde jeugd op een landgoed in de Vechtstreek geschetst en verslag gedaan van hun ontmoeting in 1978. `We trouwden in 1986,` vertelt hij, `in 1990 verloren we onze toen vierjarige zoon Tristan. Meedogenlozer had het lot ons niet kunnen treffen, maar met de geboorte van onze dochter Lynn in 1998 brak een nieuw tijdperk aan.`
Zijn blik rust nu op mij. Papa`s tekst, intonatie, timing en de leespauzes zijn geregisseerd door een vaardige hand; de zijne. Ook nu is hij charmant en voorkomend als altijd, ik realiseer me opnieuw hoe ik hem bewonder, hoeveel ik van hem houd. Hij is de belangrijkste man in mijn leven en zal dat altijd blijven.

`Johanna leek de dood van Tristan te boven,` hervat papa, `maar na haar ontslag als bibliothecaresse in 2010 kreeg de alcohol haar opnieuw in de greep.`
Ik voel gedempte consternatie door de zaal golven. In papa`s wetenschappelijke kringen wordt de waarheid meestal omfloerster opgediend.
`Moet iedereen dat weten?` had ik hem de dag vóór de begrafenis gevraagd, toen hij me zijn tekst liet lezen.
`Waarom niet,` antwoordde hij, `het is de waarheid.`
Daar leek weinig tegenin te brengen.
Voordat hij verder leest, wisselt hij een blik met een vrouw op de voorste rij in de zijbeuk, links van het katheder. Ze is in het wit, draagt een flamboyante hoed en is een van de weinigen die ik niet ken. `Johanna`s ontslag,` zo besluit mijn vader dit deel van zijn verhaal, `gaf haar leven een fatale wending.`

Ik zat toen net op de middelbare school. Mama werd met de dag korzeliger, ze verslonsde in een angstwekkend tempo, net als het huishouden. De zorg voor mij – ik was twaalf – liet ze goeddeels aan papa over. Hij was altijd al degene geweest die het meest naar me omzag. Hij hielp me met mijn huiswerk, bracht me naar school en balletles, kookte meestal. Als ik thuiskwam van school, lag mama tot mijn gestaag groeiende ergernis steeds vaker op bed. `Wat heb jij eigenlijk,` had ik haar willen vragen, `waarom lig je hele dagen op bed, waarom zoek je geen werk?` Maar dan zag ik het kwetsbare lichtblauw van haar ogen en vroeg of ze nog een kopje thee wilde. Pas op mijn veertiende ontdekte ik dat ze dronk. Vanaf elf `s ochtends uur port, `s middags ging ze over op wijn. Op het eerste gezicht merkte je er weinig van. Geen dubbele tong, geen wartaal, ze ging alleen behoedzamer lopen. En het weinige wat ze zei, herhaalde ze eindeloos.
Papa was in die jaren veel van huis. Ik geloof dat hij mij vanaf mijn zestiende min of meer als `af` beschouwde. Hij bezocht geregeld wetenschappelijke congressen in het buitenland en huurde een studeerkamer in de stad, waar hij ook `s avonds kon werken en zo nodig slapen. Ik geloof dat mama hem steeds minder om zich heen duldde. Tegen mij liet ze al haar misnoegen ongegeneerd de vrije loop: dat ze oud werd, zich verveelde, ongelukkig was. En vooral: dat papa haar aan haar lot overliet.
`Hij zorgt al tien jaar voor je,` wierp ik tegen.
`Hij zorgt vooral voor zichzelf.`
`Deed jij dat ook maar,` zei ik dan, `probeer minder te drinken, mama, ga zelf ook eens de deur uit, wees lief voor papa.`
`Lief zijn voor hém? Daar heeft hij…
`Wat?`
`Niks.`
`Alsjeblieft, mama, stop met drinken, ik smeek het je.`
`Dat kan ik niet.`
`Je probeert het niet eens. Zullen we samen…
`Nee!`
Een keer tijdens zo`n gesprek waagde ik het naar Tristan te vragen, waarop ze antwoordde dat dat er niets mee te maken had. De verbeten klank van die woorden zal ik nooit vergeten.

Toen ik achttien was en een paar maanden op kamers woonde, barstte de bom. Papa was in het buitenland, ik zou die dag voor mama koken. Als altijd was ze beschonken.
`Wat wil je eten?`
`Ik heb geen honger.`
`Je moet toch wat eten, mama.`
`Dan wil ik pizza. Pizza van Il Ponte. Daar zijn we in geen tijden meer geweest. Kom, we gaan naar Il Ponte.`
`Je bent veel te dronken mama,` probeerde ik, `ik ga niet met je mee.`
Ze keek me aan, leek amper iets te zien. Met korte tussenpozen tikte ze met haar vingertoppen op het tafelblad en scandeerde zachtjes op het ritme mee.
`Pizza, pizza.`
`Hou op.`
`Pizza, pizza!`
`Stop ermee, mama.`
Ze leek wat bij zinnen te komen.
`Dit kan zo niet langer, mama,` zei ik, `morgen gaan wij samen een afspraak maken bij de Jellinek. En als je niet meewerkt, wil ik je nooit meer zien.`
Ik weet niet of ze me hoorde.
`Ga je mee of niet?`
Ze keek me strak aan, liet toen haar hoofd zakken.
`Pizza, pizza…`
Ik kon het niet langer aanzien en stond op om te vertrekken. Onverwacht fel snerpte haar stem door de kamer.
`Ga zitten,` commandeerde ze.
Ik deed wat ze zei, met moeite herpakte ze zich.
`Er is iets wat je moet weten,` zei ze ,`iets wat je eindelijk moet weten. Ik haat papa. Ik haat hem al…. al zó lang.`
Zo helder had haar stem in geen tijden geklonken.
`Waarom?`
`Dat kan ik je niet zeggen.`
Ze probeerde me recht aan te kijken, stond op, wankelde de kamer uit en strompelde de trappen op. Die nacht bleef ik slapen, de volgende ochtend zei ik dat ik haar telefoontje om samen naar de Jellinek te gaan zou afwachten. Ze heeft nooit gebeld.

`Mag ik u dan nu uitnodigen om Johanna naar haar laatste rustplaats te begeleiden?`
Papa komt achter het katheder vandaan, gearmd volgen we mama`s kist.

`Wie is Evelyn?`
We zitten bij Il Ponte. Na de begrafenis, een maand geleden, stelde papa me kort aan haar voor, de vrouw in het wit. Ze sprak haar naam uit op zijn Engels.
`Een vriendin.`
`Wat voor vriendin?`
`Gewoon, een vriendin.`
`Hoe lang ken je haar?`
`Een tijdje.`
`Wat is een tijdje?`
Hij slaat zijn ogen neer.
`Een half jaar.`
Een dof verdriet bekruipt me, een intense zwaarte, omvattender dan alles wat mama`s dood teweegbracht. Ik kijk mijn vader aan, een pijnlijk lucide gedachte overvalt me: als hij altijd zo lief was voor mij, waarom dan niet ook voor anderen?
`Was Evelyn de enige?` vraag ik, terwijl de angst voor zijn antwoord tegen mijn ribbenkast bonkt.
Hij schudt zijn hoofd.
`En wist mama dat?` Ik doe mijn best kalm te klinken.
`Kort vóór onze trip naar Friesland heb ik haar het een en ander verteld.`
Tevergeefs probeer ik de ontluisterende scène níet voor me te zien.
`Ze zei dat ze zoiets al lang vermoedde,` gaat hij verder. `En…`
`En wat?`
`Dat ze het wel begreep.`
`Heeft ze dat echt gezegd?`
Hij kijkt me strak aan, knikt. Voor het eerst weet ik niet of ik hem geloof.
Hij rekent af, buiten nemen we afscheid.