Categorieën
Fictie

Afgekeurd

‘Geluk hangt niet af van hoeveel je krijgt, maar hoeveel je geeft.’
In het ziekenhuis spookte die zin dag en nacht door mijn hoofd. Hoewel ik niet eens weet wie het tegen me zei, werd het mijn nieuwe levensmotto. Al mijn voormalige overtuigingen hadden me naar het randje van de afgrond geleid. Als ik niet snel een nieuw geloof aangreep, dan zou ik alsnog naar beneden vallen.
Je kunt het je misschien niet voorstellen, maar geven is gevaarlijk.
Er zitten namelijk limieten aan hoeveel je van jezelf kunt weggeven zonder daaraan ten onder te gaan. Die grenzen moet je eerst vinden door ze te breken.
En dat gebeurde op die ene vrijdag, vier weken nadat ik uit het ziekenhuis was ontslagen. Er lag een strakke planning te wachten. Eerst moest ik boodschappen doen en een verjaardagscadeau kopen. Daarna had ik een afspraak bij de psychologische keuringsarts, op aanraden van mijn werkgever. Ik moest goed voor de dag komen, want bij een afkeuring verloor ik mijn baan. Als laatste zou ik het verjaardagscadeau bij de jarige afgeven. Met mijn nieuwe levensmotto zou dat hopelijk het hoogtepunt van vandaag worden.
Douchen, haar kammen, schone kleren aantrekken – alles liep op rolletjes, totdat ik in de tandpasta kneep. Er kwam niets uit. Ik kneep nog een beetje harder, vouwde de achterkant terwijl ik alle restjes naar voren stuwde, zoog aan het tuitje, maar tevergeefs. De tube was net zo leeg als een vakkenvuller met een burn-out.
Ik smeet de tandpasta vloekend in de prullenbak. Precies wanneer ik hem het hardst nodig had, liet hij me in de steek.
Onderweg naar buiten greep ik mijn jas van de haak, waarbij ik de hele kapstok omver trok. Met mijn hand al op de deurklink stopte ik mezelf. De frustratie gierde door mijn lichaam. Dit soort momenten waren essentieel voor verandering—ik moest liefde in plaats van haat aan de wereld geven.
Na drie diepe ademteugen zette ik de kapstok terug en liep ik weer naar boven, waar ik de tandpasta uit de prullenbak haalde. Gemarteld en ineengedoken lag hij in m’n vingers.
‘Dankjewel,’ zei ik. ‘Voor al je diensten.’
Daarna vouwde ik hem voorzichtig open, pakte ik een schaar, en knipte ik hem doormidden. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een meedogenloze actie, maar binnenin vond ik genoeg tandpasta voor minimaal drie dagen– nog meer als ik zuinig deed. Op deze manier kon ik misschien wel een hele tube per jaar sparen. Dat betekende ook minder vervuilende stoffen en microplastics in het rioolwater.
Waarom had ik überhaupt tandpasta nodig? Als ik écht de wereld boven mezelf verkoos, dan offerde ik ook mijn tanden op. Daarom beloofde ik terplekke aan Tube dat hij de laatste zou zijn.
Vijf minuten later ontdekte ik dat mijn fietsband lek was.
In een opwelling schopte ik met al mijn kracht tegen het frame. Er was altijd wat mis met dat afgetakelde rotding. Zodra ik het geld had zou ik een nieuwe kopen.
Maar ik kreeg meteen spijt van die gedachte. Dit stalen ros bracht me al jaren trouw naar al mijn afspraken. Dag en nacht stond hij buiten op me te wachten, in de kou en de regen en de wind, zonder er iets voor terug te vragen. Hij verdiende geen straf.
Wederom bood ik mijn excuses aan. Met maximale zorgvuldigheid opereerde ik het wiel. Ik hechtte de gescheurde ader, wachtte tot het bloeden gestopt was, en sloot de huid eroverheen. Toen ik op zijn rug ging zitten, sprong hij opgewekt en springlevend vooruit.
Ik glimlachte.
Op weg naar mijn afspraak bij de keuringsarts ging ik vast langs de supermarkt. Voor de groente-afdeling raakte ik voor de derde keer die dag in een strijd met mezelf verwikkeld. Vanavond stond er spruitjes met aardappels op het menu – een maaltijd waar op het eerste gezicht weinig mee mis kan gaan. Daarom was ik totaal niet voorbereid op de onmogelijke keuze die zich voor me opdiende.
De zakjes met spruiten op de voorste rij waren groot, lichtgroen, kerngezond, én in de aanbieding. Pas toen ze al in mijn mandje lagen, zag ik het tweede merk spruitjes, half weggestopt achter de asperges. Er lag nog maar één zakje, met het label ‘KLEINE SPRUITJES’ en een dertig procent korting sticker erop. Ze lagen er droevig bij, verloren als babyeendjes wiens moeder door een roofdier is opgegeten. De blaadjes waren al verlept en bruin. Geen enkel persoon zou ze nog kopen. Bovendien waren ze biologisch en daardoor zelfs met korting duurder dan de rest.
De oude Tommie zou nu allang met de grote, goedkope spruitjes op weg naar de uitgang zijn, maar de nieuwe Tommie stond aan de grond genageld. Mensen zuchten geërgerd toen ze met hun karretjes om me heen moesten manoeuvreren.
Die arme biologische spruitjes… Ergens leefde er een boer die ze met liefde had verzorgd. Hij had ze geplant en maandenlang gewaterd en gevoed met een afgemeten hoeveelheid mest. Hij had ze behoed voor brandende pesticiden en vol verwachting uit de grond getild toen ze waren opgegroeid. Met een gevoel van trots en melancholie had hij ze uitgezwaaid, hopend dat mensen van de intieme smaak konden genieten.
En nu lagen ze hier te verpieteren totdat een werknemer ze bij het afval gooide. Alle liefde zou verloren gaan.
Tenzij ik er een stokje voor stak. Op dit moment was ik een god. Ik kon beslissen over goed en kwaad. En toen ik bij de kassa de biologische spruitjes afrekende, wist ik dat ik de juiste keuze had gemaakt.
Voor het verjaardagscadeau ging ik langs bij de Werfzeep-winkel, waar ze alle zepen met de hand maakten. Ik kocht een pakket met jeneverbes, laurier, en kruidnagel. De medewerkster pakte het netjes voor me in en schreef met een sierlijk handschrift de naam van de ontvanger op het kaartje. Als dank voor mijn aankoop schonk ze me een stralende glimlach. Een uur later, in de wachtkamer voor mijn keuring, zweefde die nog steeds in de lucht.
De arts was een man van middelbare leeftijd die op zijn bureau hing alsof heel de wereld op zijn schouders rustte. De wallen onder zijn ogen vertelden me dat hij met iedere patiënt meeleefde. Ik gunde hem weekend.
Vanzelfsprekend gingen de eerste paar vragen over mijn incident. Waarom had ik maar één pols verwond? Welke gedachten gingen er door mijn hoofd toen het bloed vloeide?
Langzaam veranderde het kantoor in een mijnenveld. Één verkeerde stap, en ik was mijn baan kwijt.
Maar mijn pad was nog nooit zo duidelijk. Ik zou geven.
‘Ik wil iets bijdragen aan de maatschappij. Ik wil meedoen. Ik wil werken, werken, werken.’
Vervolgens kwamen er vragen over mijn slaapritme, mijn hobby’s, mijn familie en vrienden. Ik wist hoe normale antwoorden klonken, dus ik blufte me er zonder probleem doorheen.
Al met al ging het sneller voorbij dan verwacht. De uitslag zou nog even duren, maar hij vertelde me dat ik me weinig zorgen hoefde te maken. Het kwam wel goed.
Buiten op de stoep, terwijl niemand keek, haalde ik de spruitjes uit mijn tas en drukte ze tegen mijn hart. Er was hoop.
Vol van vertrouwen begaf ik me naar mijn laatste opdracht van vandaag – het afgeven van het verjaardagscadeautje. Nu ik mijn nieuwe instelling zo goed onder controle had, kon dit niet meer fout gaan.
Op mijn piepende en krakende ros legde ik de route af die ons beiden zo bekend was. Ik zette hem voor het huis op slot, klopte hem op zijn zadel, en belde aan.
Staalblauwe ogen en ijzig wit haar deden open – de beste vriendin van de jarige. Toen ze me zag, verscheen er een diepe frons op haar voorhoofd. Gelukkig kwam ik deze keer niet voor mezelf, anders had ik nu al keihard verloren.
‘Hoi,’ zei ik. ‘Ik kom een cadeautje brengen.’ Ik haalde het pakketje uit mijn tas en stak het vol trots naar haar uit.
Ze bekeek me van top tot teen, alsof mijn blaadjes ook bruin en verlept waren.
‘Ze wil niks meer met jou te maken hebben.’
Mijn adem stokte. Dit kon niet waar zijn. Niet zij…
‘Ik ga meteen weer weg… Alleen dit cadeautje.’
‘Geloof je het zelf?’ Ze snoof. ‘Idioot. En waag het niet om nog een keer aan te bellen.’
Daarna smeet ze de deur in mijn gezicht.
Kalmte.
Liefde.
Als ik het pakketje nu door de brievenbus deed, belandden de zeepjes waarschijnlijk bij het afval. Net als de spruitjes verdienden ze een beter lot, dus ik nam ze weer mee.
Met mijn fiets liep ik naar het dichtstbijzijnde park. Daar, aan de rand van de vijver, pakte ik het cadeautje uit. De spruitjes klommen van nieuwsgierigheid over elkaar heen om te zien wat ik deed.
Het zeepje was bruin, de geur houtig en vertrouwd. Dit was met aandacht gemaakt – vakmanschap.
Toen ik mijn handen ermee wilde wassen, glipte hij uit mijn vingers en werd hij door de diepte opgeslokt.
Ik staarde in het troebele water. Door de barsten in mijn grenzen vloeiden de tranen rijkelijk.