Categorieën
Fictie

ademruimte

Het gebeurde voor het eerst tijdens een workshop op een teambuildingsdag. We moesten samenwerken met collega’s die we niet goed kenden. Er werd ons op een bepaald moment gevraagd in een treintje te gaan staan. Geërgerd vroeg ik me af of we nu werkelijk de polonaise zouden gaan dansen. Maar nee, we kregen de instructie de schouders van onze voorganger te masseren.
Als ik eraan terugdenk, kan ik de handen op mijn schouders nog voelen. En het ongemak. Daarna niets meer.
Mijn collega’s landden bij de volgende activiteit in een capsule op de maan en moesten beslissen welke dingen ze zouden meenemen op hun hachelijke tocht naar het moederschip dat zich zo’n 300 km verder bevond.
Ik kwam ergens totaal anders terecht.

In een ruimte van zo’n 25 vierkante meter.
De muren van de kamer waren wit.
Natuurlijk is het ene wit het andere niet. Er bestaan veel wittinten. Ik ken hun namen van de verfwinkel: fragiel wit, gebroken wit (= het logische volgende stadium), mindful wit (echt, ik verzin het niet), mythisch wit, krijtwit (geïmporteerd uit Dover), klassiekers als roomwit en eierschaalwit, eindeloos wit, enzovoort.
De muren van de kamer waren wit wit (geen schakering – the real deal). Ook het plafond en de vloer trouwens. Er waren geen ramen. Er was geen deur.
Ik wist niet hoe ik er was binnengekomen of hoe ik weer naar buiten moest. Toch was ik niet in paniek. Ik voelde me niet benauwd, want er was genoeg zuurstof. De wanden leken luchtdoorlatend.

De volgende keer – ongeveer een jaar later – staat ook nog in mijn geheugen gegrift. Ik was inmiddels werkloos en ging solliciteren voor een job als bibliothecaris. Het sneeuwde die dag. Dat weet ik nog goed. Ongeveer 30 kandidaten werden verspreid over een kille zaal die naar natte hond rook. Zonder mijn jas uit te doen, ging ik zitten. Een man vooraan legde de selectieprocedure uit. Toen we eindelijk de toestemming kregen om de envelop die voor ons op tafel lag te openen, had ik geen zin meer. Ik keek wat rond en zag een paar banken verderop iemand zitten die ik kende: een oude vriendin van me die eigenlijk tien jaar eerder zelfmoord gepleegd had. Ik verdween opnieuw.

Sindsdien is het bijna een gewoonte geworden. Het overkomt me ongeveer wekelijks.
Meestal ga ik in het midden van het onderste vlak van de witte kubus zitten. In kleermakerszit.
Ook nu.
Het zou natuurlijk kunnen dat ik ondersteboven aan het plafond hang. Helemaal uitsluiten kan ik dat niet. Ik neem gemakshalve even aan dat de zwaartekracht hier ook haar werk doet en dat ik dus op de grond zit.
Geeft men aan mensen die bedolven worden door een lawine niet de raad om te plassen of te spugen – om te weten te komen waar de bovenkant is?
Maar ik ben hier niet om een weg naar buiten te zoeken. Ik moet naar binnen.

Hier is niets. Niets om mee bezig te zijn. Niets om me aan vast te houden. Dus denk ik maar wat. Vandaag beeld ik me in dat er een lieveheersbeestje op het plafond zit. Pimpampoen. Pimpampet. Puk en de petteflet. Flets. Pastel. Aquarel. Aquarium. Vissen.
Zelfs imaginaire beesten zijn blijkbaar beter dan leegte.
Misschien ben ik bang dat ik niet besta zonder de wereld rondom mij. Denk ik daarom een eigen wereld bij elkaar. Of is cogito ergo sum een misverstand en leiden gedachten eigenlijk af van wie je echt bent?

Adem, antwoordt de kamer – zoals altijd.

Eerst vond ik dat fascinerend. Zag ik de ademruimte als mijn redding. Na al die maanden word ik het stilaan beu. Ik wil niet ademen, ik wil leven en natuurlijk moet je ademen om te leven. Ik bedoel: Ik kan toch ook ademen terwijl ik in de wereld ben. Waarom moet dat hier – in deze wachtkamer? Ik wil mijn tijd nuttig gebruiken.

Misschien lijd ik aan een ziekte – een zeldzame vorm van epilepsie. Dat zou best kunnen. Het zit in de familie. Mijn grootmoeder had de vallende ziekte – zoals zij het noemde. Moet ik een afspraak maken met de dokter? Nee, ik wil dit zelf uitzoeken.
Dan herinner ik mij het blad dat ik gisteren tijdens een herfstwandeling in mijn zak heb gestoken. En ik kan niet anders dan het eruit halen en voor me op de grond leggen. Dat gaat in tegen de ongeschreven regel dat hier niets mag bestaan. Toch moet ik het proberen. Ik geniet er zelfs van. Ben rebelser dan ik dacht.

Ik kijk. Even zie ik het felrode blad. Iets vertrouwds. Dan valt het langzaamaan uiteen – het lost op. Dat doet zo’n pijn in mijn lijf. Alsof ik zelf afbrokkel.
Snel steek ik de overgebleven kruimels in mijn mond. Ze smaken naar niets. Ik breng ze op smaak met het zout uit mijn ogen. Bedenk dat huilen ook een manier is om je te oriënteren.
Ik wil echt weg nu, maar mijn benen bewegen niet. Ze zijn verlamd.
Ik zucht diep.

Wat is dit voor iets: een droom, een hallucinatie, waanzin? Ik roep, maar hoor geen geluid.

De ademruimte bevindt zich in het gat dat ik in mijn binnenste voel.
Het gat dat iedereen voelt. Dat we proberen te vergeten. Dat gat intrigeert me al lang. De laatste tijd zoek ik de nabijheid van het gat bewust op. Ik wandel graag langs de rand van de afgrond. Ga de confrontatie aan. Misschien is dat zelfs de essentie van wat ik probeer te doen als ik fotografeer: het gat dat achter alles en iedereen schuilgaat tonen.
Vroeger was ik er bang voor. Probeerde ik het te bezweren door er dingen in te gooien. Nu weet ik dat vullen zinloos is. Espressomachines en verre reizen helpen niet. Ik ben veel vrijer. Maar waarom heb ik het blad dan tevoorschijn gehaald? Dacht ik dat schoonheid een uitzondering was?

Ach.

Adem.

Nee, natuurlijk werkt het zo niet.

Ik doe mijn ogen dicht. Ook nu zie ik alleen maar wit.

Waarom? Wat is toch de bedoeling? Moet ik tot het besef komen dat ik niet besta? Maar als ik dat kan, dan besta ik toch? Wie beseft dat anders?
Alle Kretenzers liegen. Pinokkio die zegt dat zijn neus nu gaat groeien.

In én uit.

De ademruimte relativeert mij, toont mijn betrekkelijkheid. Het lijkt een beetje op wat je ervaart tijdens een bergwandeling. Ze wijst me op mijn nietigheid. Ze gomt me uit.

Dan begrijp ik het plots: relativeren is ook: in verband brengen, ten opzichte van iets plaatsen, connecties maken. Maar hoe kan een leegte zoiets voor elkaar krijgen? Dat is de paradox: Het gat is de voorwaarde. Zonder opening komt er geen licht binnen. Een pupil is nodig om te kunnen zien. Er bestaan geen fototoestellen zonder diafragma.

Ik adem.

Ik moet de leegte aanvaarden. Geduldig ben ik niet, maar ik wacht.

Straks komt de zon op. En het licht zal de wereld opnieuw op mijn netvlies projecteren.

Daar zal ik jou ontmoeten.
Alleen daar kan ik jou ontmoeten.