Categorieën
Fictie

Adam

Zijn ogen. Dat was het eerste wat me opviel. Felblauw met een speelse glinstering, van die ogen die recht door je heen kijken. De ogen van de man die mijn leven veranderde. Voordat ik hem ontmoette had ik het vertrouwen in mannen verloren. Ik werd gekwetst, niet gewaardeerd en keer op keer teleurgesteld. Maar dit keer was het anders.

Het was een broeierige zomeravond, het was zo’n dag waarop je eigenlijk niks anders kan doen dan verkoeling zoeken. Ik was onderweg naar huis van mijn werk en besloot door het bos te fietsen in de hoop wat verkoeling te vinden. Ondanks dat de avond al viel stond de zon nog hoog aan de hemel. Ik luisterde naar het fluiten van de vogels en probeerde me te ontspannen.

Werk was nooit mijn sterkste punt geweest, ik denk dat ik gewoon niet gemaakt ben om te werken. Ik probeerde de stress van de dag van me af te zetten, niet na te denken over alles wat er fout was gegaan vandaag. En net toen deze donkere wolk van verdriet mijn gedachten probeerden te kapen, zag ik hem. Een grote gedaante die mij tegemoet kwam. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de zon om hem beter te kunnen zien. Ik werd overweldigd door zijn uiterlijk, hij was lang en breed en met een prachtig gezicht, alsof een kunstenaar hem uit marmer had gehouwen. Hij leek te perfect om echt te zijn. We groetten elkaar zoals iedereen in het bos hier doet en als gehypnotiseerd fietste ik door. Ik kon toch niet stoppen en hem aanspreken? Of kon ik dat wel? Ik draaide me om, vastberaden om erachter te komen wie de man was die mijn hoofd zo op hol bracht. Maar toen ik me omdraaide, was hij weg. Waar was hij heen? De donkere wolk in mijn hoofd kwam terug en overheerste de rest van de dag in mijn gedachten.

De volgende dag besloot ik weer door het bos te fietsen in de hoop deze man nogmaals tegen te komen. Hij liet zich niet zien en daarom fietste ik dag na dag dezelfde route. Tot die zekere vrijdagavond. Ik was net weg gefietst van werk toen ik voorbij Bar Broekhuis kwam. Het terras zat vol en er klonk luid geroezemoes. De muziek schalde uit de boxen en iedereen leek zich te vermaken. Ik keek naar de menigte, vervuld door een vreemd verlangen. Ik had geen plannen en zou de rest van de dag alleen zijn, ik had weinig vrienden en kon me eigenlijk niet voorstellen dat ik zo’n avond door zou brengen op een terras. En toen zag ik ze. Karel, mijn manager, Bettina van HR, Joyce van de redactie. Ze waren er allemaal. En niemand had mij uitgenodigd. Een steek van verdriet ging door mij heen. Waarom was ik niet leuk genoeg? Ik probeerde het van me af te zetten en fietste stevig door richting het bos en toen zag ik hem weer. Mijn hart klopte in mijn keel en stuntelig sprak ik hem aan. Hij lachte en vertelde mij zijn naam: Adam.

Vanaf die dag werd alles anders. We wandelden door het bos, we aten samen, we lachten om de zwart-wit films die we allebei zo indrukwekkend vonden. Adam zag mij voor wie ik ben en hij bood me een luisterend oor als de donkere wolken van verdriet mijn gedachten in hun bezit namen. Alles werd lichter door hem. Soms zagen we elkaar een tijd niet en dan wist ik ook niet altijd waar Adam was. Maar dat maakte me niet uit, want wanneer ik hem het meest nodig had, was hij er voor me.

Adam leek altijd aan te voelen wanneer ik hem nodig had, als ik een zware dag had gehad, dan stond hij die avond ineens voor de deur. Dan nam hij mijn favoriete eten mee en vertelde me dat alles goed zou komen. Ik had nog nooit eerder een band met iemand gehad die zo diep ging, soms leek hij te weten hoe ik me voelde nog voordat ik het zelf door had. Er was niemand zoals Adam. We kenden elkaar nog net geen maand toen ik hem vroeg bij mij te komen wonen. Mijn appartement was klein en niet erg luxe, maar we zouden het inrichten met onze liefde, zoals hij dat zo mooi zei. Mijn leven veranderde, de donkere wolken van verdriet bleven uit en ik leek door de dagen heen te dansen. Ik verkondigde mijn liefdesverhaal tegen een ieder die het maar horen wilde.

Toen mijn collega’s lucht kregen van mijn relatie met Adam nodigden ze ons uit voor de kwartaalborrel. Dit was mijn kans om te pronken met Adam. Thuis vertelde ik hem enthousiast over de uitnodiging en hij beloofde mee te gaan. Die middag na werk verzamelden we ons op het terras van Bar Broekhuis. Ik ging op in de menigte, ik was hier op het terras met vrienden en zou me vermaken, net zoals de mensen dat deden wanneer ik langsfietste. We praatten en lachten, maar Adam liet op zich wachten. Ik haalde nog een drankje en bedacht dat hij elk moment zou komen, maar ook mijn collega’s werden ongeduldig en vroegen waar hij bleef. Na het derde drankje begonnen mijn collega’s te vertrekken, de een na de ander nam afscheid. “Bestaat die Adam van jou eigenlijk wel?” Vroeg Joyce met een sneer.

Toen ik thuiskwam was Adam nergens te bekennen. Ik voelde tranen opwellen terwijl ik me realiseerde dat hij me had laten stikken. Hij vond me niet leuk genoeg en wilde niks meer met me te maken hebben. Ik ging in bed liggen en probeerde mezelf in slaap te huilen. En net toen ik wegdommelde, kwam Adam thuis. Hij kwam bij me liggen en vertelde dat hij niet vond dat ik met mijn collega’s om moest gaan, dat ze niet goed genoeg voor me waren. Ik zei dat ik dat ook helemaal niet wilde maar dat ik zo graag met hem had willen pronken. Maar dat maakte niet meer uit, hij was terug en ik zou hem nooit meer loslaten. De dagen erna realiseerde ik me dat mijn collega’s ook niet goed genoeg voor me waren, noch mijn werk. Adam spoorde me aan mijn baan op te zeggen, omdat ik veel beter kon krijgen. En tot die tijd kon ik meer tijd met hem doorbrengen, zo drukte hij me op het hart.

Niet meer hoeven werken was een bevrijding, ik voelde een last van mijn schouders glijden. De zomerdagen liepen in elkaar over en waren de mooiste van mijn leven. Elke dag lagen we in het park, gingen uit eten en keken ’s avonds naar de sterren. Ik nam mijn analoge camera overal mee naar toe want ik wilde deze momenten nooit meer vergeten, rolletjes schoot ik vol. Ik liet Adam voor mij poseren en vroeg voorbijgangers om foto’s van ons samen te maken. Zij keken dan jaloers naar mij, want iedereen viel als een blok voor Adam.

Op een dag belde mijn moeder dat ze me wilde zien, ze had gehoord over Adam en dat ik gestopt was met mijn baan en wilde me spreken. Ik vroeg Adam naar de groenteboer te gaan en wat vers fruit voor ons te halen. De warmte van de zomer had aangehouden en ik wilde mijn moeder een fijne verfrissing bieden in ons kleine maar warme tuintje. Het was fijn haar weer te zien, ik wilde haar graag voorstellen aan de man die mijn leven zo had veranderd en ik kon niet ophouden met glunderen als ik over Adam sprak. Maar Adam liet op zich wachten, een half uur verstreek en toen een uur. Ik begon me zorgen te maken. Misschien was het allemaal te snel gegaan en was hij er nog niet klaar voor mijn moeder te ontmoeten. Ik vertelde haar dat Adam waarschijnlijk een vriend was tegen gekomen en dat ze hem de volgende keer wel zou ontmoeten. Maar van binnen wist ik beter, hij was bij me weg gegaan en wilde me vast nooit meer zien. Mijn moeder vroeg nog “je hebt toch wel echt een vriendje he?”. Mijn moeder vertrok en ik huilde al mijn verdriet eruit. Ik stopte pas toen ik de voordeur dicht hoorde slaan en Adam binnen kwam.

Adam was terug en hij hield van me en daar gaat het om. Mijn moeder zou hij wel ontmoeten wanneer de tijd rijp was. De volgende dag besloot ik mijn fotorolletjes te laten ontwikkelen. Ik was van plan een fotoboek te maken van de mooiste zomer van mijn leven. Een paar dagen later kon ik mijn foto’s ophalen. Ik kwam thuis en wilde samen de foto’s bekijken, maar Adam was weg, waarheen wist ik niet. Stiekem gluurde ik vast naar de eerste foto’s. Op dat moment voelde ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Een rilling schoot door mijn lichaam. Haastig ging ik door de overige foto’s heen en liet ze van schrik uit mijn handen glijden. Ik stond alleen op alle foto’s. Waar was Adam?