Categorieën
Fictie

Achter het varkenskot

1. Ze wil er over vertellen
Greetje schilt aardappels en kijkt af en toe naar haar op. Dan zegt ze: ‘Het wordt tijd dat we je opnieuw in de bleek zetten.’
Het meisje grijpt naar haar hoofd, trekt een haarlok voor haar ogen. Ze knikt.
Sinds september vorig jaar is ze bij ons, hier op het Groningse platteland. Alleen zij weet haar echte naam en op welk adres ze heeft gewoond. Ze zei dat we haar Truus mogen noemen.
In de eerste weken durfde ze nauwelijks achter het varkenskot vandaan te komen. Pas nu begint ze een beetje te ontdooien. Afgelopen zondag vertelde ze van de tocht. Dat ze zeker een week onderweg is geweest, elke dag had ze een andere begeleider. Dat ze haar leven te danken heeft aan mijn broer en schoonzuster, dat die ons hebben geschreven waarop wij hebben geantwoord: ‘Laat maar komen’ – daarvan is ze niet op de hoogte. Ook zij weet zo weinig mogelijk.
Ze wil er over vertellen. Wat ze in Amsterdam heeft gezien. Ik zeg: ‘Dan laat ik jullie even alleen’, en stap naar buiten. Greetje zal het haar wel uitleggen. Waarom ik het niet aanhoren kan. Ik moet rustig en kalm blijven. Ik wil het niet weten.
Toen Jelle Zwadder ons vorig jaar oktober met trots kwam melden dat het even buiten ons dorp opgerichte werkkamp leegstond, dat de Joden eindelijk naar Westerbork op transport waren gezet, was Truus de hele dag niet uit haar schuilplaats geweest. Ze hoefde geen teiltje om zich te wassen en wilde ook geen eten en drinken. ‘Het is Jom Kipoer,’ zei ze. ‘Grote verzoendag. Dan belijden we onze zonden, vragen we God om vergeving. Heel vroeger werd er een bokje met daarop symbolisch al onze zonden de woestijn ingestuurd.’
Hoe cynisch kun je zijn, om uitgerekend op zo’n dag Joden af te voeren… We hebben haar maar niet verteld wat we van Jelle Zwadder te weet zijn gekomen.
Als ik ook nog te horen krijg wat ze in Amsterdam heeft gezien, ik vrees dat ik dan op zekere dag die vent de hersens zal inslaan. Of hem de deur wijs. Geen goed idee. Alleen al door hem de deur te wijzen, weet je dat ie met de politie of een stel Duitsers zal terugkomen om het hele huis overhoop te halen. En als zij niet snel is, dan zullen ze haar vinden. Dan zullen ze ook haar op transport zetten. Zij, die nog een heel leven voor zich heeft.

2. Krantje lezen
We hebben zijn hond horen blaffen. Truus is allang weggeschoten, terug – achter het varkenskot, achter de stropakken. Daar heeft ze een bed, een tafel en een stoel. En haar koffer waar ze haar kleren en wat spulletjes in bewaart. Die koffer houdt ze op slot, zodat ze elk moment ervandoor kan gaan. De vluchtweg is een raampje zonder glas. Om daar bij te kunnen komen, moet ze twee stropakken op de grond zien te krijgen. Of haar koffer door dat raampje past? Nooit uitgeprobeerd. Als de oorlog nog jaren voortduurt en haar heupen groeien door, zal zijzelf er op een gegeven moment niet meer door passen. Hopelijk is de oorlog snel voorbij. Anders worden we nog gek.
Daar heb je hem. Jelle Zwadder. In zijn jagersuniform. We begroeten hem vriendelijk. Hij zet zijn windbuks tegen de muur en komt naast mij aan de keukentafel zitten. De Weimaraner korthaar legt zich aan zijn voeten. Greetje schenkt koffie in en neemt tegenover ons plaats.
Jelle leest met mij mee. In mijn krantje. Steeds slechter kan ik daar tegen, hopelijk krijgt hij dat niet door. Snel tik ik op een foto. Duizenden Duitse militairen die in een voetbalstadion de Hitlergroet brengen. ‘Is dat niet wat voor jou?’
Voorzichtig schuift hij de krant naar zich toe. Alsof de letters er los op liggen en weg kunnen glijden. Hij bekijkt de foto, begint te lezen en roert in zijn koffie. Als hij klaar is met het artikel, slaat hij de bladzijde om. Hij is weer van plan om de hele krant door te nemen. En wij kunnen zitten toekijken. Uit de binnenzak van zijn jagersuniform haalt hij pruimtabak. Neemt er een plukje uit en steekt dat in zijn mond. Hij sabbelt er langdurig op.
Vermoedt hij iets?
Hij klopt tegen de schouder van zijn hond. ‘Kom, we moeten weer eens verder. Samen op vossenjacht.’
Het duurt nog een hele tijd voor hij werkelijk gaat.
Aarzelend verschijnt ze om de hoek van de deur. Met van die ogen, van die zwarte ogen die uitpuilen van de angst. Als ze zit, geeft Greetje haar een mok met melk. ‘Maak je geen zorgen. Die komt vandaag niet meer terug,’ zegt ze kalm, terwijl haar hart tekeer zal gaan, net zoals dat van mij tekeergaat en dat hartje van haar nog meer.

3. Zo maar overgekomen?
Het arme kind blijft het liefst achter het varkenskot. Ze kan het allemaal nog niet geloven, is doodsbenauwd dat de Duitsers terug zullen keren of dat iemand uit het dorp zich op haar zal wreken.
Pas eergisteren heeft ze ons haar echte naam bekendgemaakt. Ze wil dat we haar Truus blijven noemen.
Een paar dagen later schuif ik haar een krant toe, waarin staat dat Joden en Jodinnen dringend worden verzocht, zich ter registratie te melden bij de Nederlandsch-Israëlitische Gemeente van de provinciehoofdstad. Ik zeg haar dat deze instantie haar misschien verder kan helpen, contacten kan leggen met Amsterdam. Ze schudt haar hoofd. ‘Registreren laat ik me nooit meer.’
Dan is het officieel. Heel Nederland is vrij.
Pas als wij de vlag uit het raam hebben hangen en vrienden en kennissen uit het dorp met ons rondjes op het gras springen en dansen, weet ze iets van haar angst te overwinnen. Schuchter komt ze naar buiten om zich met haar gebleekte haren voor te laten stellen als nichtje Truus, die ‘zo maar is overgekomen om ons te verrassen.’
Gaan er bij een paar van die vrienden en kennissen uit het dorp de wenkbrauwen de hoogte in. ‘Zo maar overgekomen?’ vraagt er een. ‘Er gold toch een algeheel reisverbod?’
Ze mompelt iets en zegt dat ze thee gaat zetten.
Ze staat voor het aanrecht te beven. ‘Ik wil hier weg. Weg uit dit dorp dat barst van de NSB’ers. Ik wil terug naar Amsterdam, naar mijn ouders, mijn broer en twee zusjes. En dan met z’n allen vertrekken uit Nederland. Weg uit Europa. Naar Palestina.’
Ze kan niet weg. En al had ze de nodige papieren, ze zal niet verder kunnen komen dan de IJssel. Daar kan nog niemand overheen. Heel Nederland ligt in puin, er is nauwelijks openbaar vervoer. En wat verwacht ze aan te treffen in Amsterdam?
De BS heeft nog meer NSB’ers opgepakt. Ook Jelle Zwadder. De lagere school zit intussen vol. Zelfs boerenschuren worden nu gebruikt om de nieuwen er in onder te kunnen brengen.

4. Ze wil de waarheid niet weten
Op een dag lees ik in de krant een oproep van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. ‘Zij, die nog geen registratie invulformulier door middel van hun vroegere verzorgers hebben verkregen, worden verzocht zich zo snel mogelijk te vervoegen op het L.O.-Bureau van de provinciehoofdstad, ter verkrijging van een duikkaart. Hiertoe behoren al degenen die ondergedoken zijn van: arbeidsinzet, krijgsgevangenen, illegale werkers, slachtoffers Jodenvervolging of anderszins.’
En weer schudt Truus haar hoofd. Ze lijkt verlamd, wil de waarheid niet weten.
Ze geeft pas gehoor aan de oproep als ik haar een krant toeschuif waarin onder de rubriek Vraag en aanbod haar echte naam wordt genoemd. Allen die inlichtingen kunnen verstrekken over haar, ‘waarschijnlijk ondergedoken in de provincie Groningen, verzoek ik beleefd dit even haar naaste familie te berichten. Adres…’
Haar oog valt op nog iets anders. En misschien is het vooral dit dat haar doet besluiten tot actie over te gaan: ‘Wij berichten dat in een der Jodenkampen in Duitsland volgens mededeling van radio Oranje, 120.000 Nederlandse Joden zijn omgekomen.’
Het zijn een oom en tante uit Drachten die haar komen ophalen. Na een hoop rompslomp rondom het verkrijgen van de juiste documenten en toestemming van de Militaire Commissaris.
Omdat zij het niet doet, vraagt Greetje het.
Nee, tot dusver van haar ouders, broer en twee zusjes geen enkel spoor.
Bij het afscheid haalt ze uit haar koffer een kandelaar. We kunnen het niet aannemen. ‘Doe maar,’ zegt ze. ‘Jullie waren voor mij een Bet Sjemesj: een zon van licht. Al heb ik hier dan vaak in het donker moeten zitten. Wat jullie voor mij hebben gedaan, vergeet ik mijn leven nooit meer.’
Ze is nu een week weg en ze heeft een grote leegte achtergelaten. Terwijl ik mijn krantje lees en Greetje aardappels schilt, komen we tot dezelfde conclusie: we missen haar. Ja, alsof wij niet meer compleet zijn. Het is onverstandig om deze gevoelens te blijven houden. Het wordt tijd dat haar schuilplaats opgeheven wordt, dat die ruimte weer deel gaat uitmaken van het varkenskot.