Categorieën
Fictie

829

Terwijl ik mijn schaatsen uit mijn tas pakte, twijfelde ik. Zo’n moment waarop je denkt; moet ik dit nu wel of niet doen? Mijn nieuwsgierigheid won; ik doe het! Met een diepe uitademing kwam er een wolk uit mijn mond die bijna in ijskristallen leek te veranderen. Zo koud was het buiten. Ik verlangde naar een warme kachel, een deken, een vers gezette kop thee en een bank, maar toch ging ik door. Ik moest wel. Anders zou ik het nooit weten. En ik móest het weten. Ik keek nog een keer naar het gladde, glinsterende ijs en het eiland verderop. Dat hielp. Vastberaden ging ik zitten om mijn schaatsen aan te trekken. Door de dikke sokken ging dat moeizaam, maar na een tijdje had ik ze aan. Ondertussen waren mijn vingers zo koud geworden dat ik er bijna geen gevoel meer in had. En dus kwam het lastigste; mijn veters strikken. Na een paar minuten prutsen zaten ze eindelijk vast.

Ik stond op, blies een paar keer in mijn handen, deed weer handschoenen aan en trok mijn muts goed. Ik was er klaar voor! Vannacht had het gelukkig niet gesneeuwd. Nu was de dikke ijslaag klaar om mijn schaatsen over het oppervlak te voelen glijden. Alsof het al die tijd op mij gewacht had en alleen op mij. Er was verder niemand te zien. In tegenstelling tot een stuk verderop werd er hier niet geschaatst. Het ijs was helemaal schoon en het schitterde. Op dit gedeelte van het meer was het altijd rustig. Vandaar dat de man in de kano me ook was opgevallen…

Precies drie weken geleden had ik hier met een boek aan de waterkant gezeten toen hij vanuit het niets was verschenen. Door de beweging werd mijn aandacht meteen getrokken. Met krachtige slagen zag ik hem in een rechte baan naar het eiland roeien. Daar aangekomen stapte hij uit, keek om zich heen en trok de kano het land op. Met een soepele beweging schoof hij deze onder de struiken en verdween tussen de bomen. Onbewust liep er een rilling over mijn rug. Waarom zag dit er zo geheimzinnig uit? Voor zover ik wist was het eiland niet heel groot en onbebouwd, dus wat ging hij daar doen? Met ingehouden adem tuurde ik tussen de bomen, maar ik zag niks. Even later was hij weer tevoorschijn gekomen. Hij duwde de kano het water in en met dezelfde snelheid als hij was gekomen, roeide hij terug naar het vasteland.

Toen ik hem een dag later weer had gezien was mijn nieuwsgierigheid gewekt en had ik iedere dag urenlang naar het eiland zitten staren. Vanuit mijn tuinhuisje aan de rand van het water had ik perfect zicht. Eerst had ik hem bijna dagelijks naar het eiland zien gaan. Soms was hij maar kort aan land en soms langer. Meerdere keren had hij spullen bij zich. Wat ging hij daar doen en waar liet hij al die spullen? Vandaag was ik van plan om daar achter te komen.

Ik keek naar de grond en bereidde me voor op het moeilijkste stuk; op het ijs komen. Zo gauw ik mijn ijzers kon laten glijden, zou het wel goed komen. Ik zette de eerste passen richting het witte riet. De grond was hard en bevroren en mijn enkel klapte bijna om. Nog net op tijd kon ik wat takken naast me vastgrijpen. Ik wankelde, maar vond al snel mijn evenwicht terug. Ik zuchtte… Dit ging niet goed. Ik viel al bijna vóór ik op het ijs stond. Waar was ik aan begonnen? Weer zo’n twijfelmoment; doorgaan of niet? De gedachte om zónder schaatsen aan naar de overkant te gaan was al een aantal keer door mijn hoofd geschoten, maar dat zou echt véél te lang duren.

Ik ademde diep in en probeerde wat nauwlettender de kant van het meer te bereiken. Opgelucht stond ik even later met mijn twee voeten aan de rand. Voorzichtig stapte ik het ijs op terwijl ik wat bevroren riet vasthield. Ik durfde het bijna niet los te laten, maar ik deed het toch. Een beetje onwennig gleed ik een stukje vooruit. En daar stond ik dan, op het ijs. Na een paar keer voorzichtig afzetten kreeg ik de slag te pakken en begon ik wat meer snelheid te maken. De gure wind sloeg in mijn gezicht. Vertrokken van de pijn en de kou, richtte ik mijn blik naar het steeds dichterbij komende eiland. De donkere bomen staken onheilspellend af tegen de grote, grijze wolken. Met iedere slag die ik maakte, namen de zenuwen toe. Wat zou ik zo meteen gaan zien? Was dit wel verstandig? Wat als ik betrapt word? Wat doe ik dan? Of erger nog, wat doet híj dan? Sinds de temperatuur drie dagen geleden ineens ver onder het nulpunt daalde en er een dikke laag ijs was ontstaan, had ik hem niet meer gezien. Dus waarom zou hij nu wèl opduiken? Nee, ik was er zeker van dat ik hem niet zou tegenkomen. En gezien de hogere voorspelde temperaturen voor volgende week, was juist dit nu mijn enige kans.

Hoe dichter ik bij het eiland kwam, hoe harder het ijs begon te kraken. Langzaam minderde ik vaart en liet me uitglijden tot een open plek tussen het riet. Behoedzaam stapte ik de kant op en liet me zakken op een boomstronk. Ik zwierde de tas op de grond en trok mijn handschoenen uit. Ondertussen waren mijn handen genoeg opgewarmd om de veters los te maken en de schaatsen te verruilen voor schoenen. Onwennig stond ik op en zette de eerste paar passen. Ik keek om me heen. Nu ik hier stond leek het eiland een stuk groter dan ik dacht. Ik liep naar de plek waar ik hem tussen de bomen had zien verdwijnen en keek nog één keer achterom of de kust veilig was.

Licht gespannen volgde ik iets wat op een paadje leek. Nu pas realiseerde ik me hoe stil het hier was. Geen verkeer, geen mensen, geen geluid. Angstaanjagend stil. Abrupt kwam ik tot stilstand. De struiken en bomen werden dichter begroeid. En nu? Had ik een zijpaadje gemist? Verbaasd draaide ik me om en liep een stukje terug. Plots ritselde er iets in de bosjes. Verstijfd bleef ik staan. Het ritselen werd harder en kwam dichterbij. Het zweet brak me uit. Paniekerig keek ik om me heen. Waar kwam het vandaan? Ik wist het niet. Het enige wat ik nog kon horen, waren mijn snelle ademhaling en hartslag. Net toen ik op het punt stond om in de aanval te kunnen gaan, schoot er een vogeltje onder een struik vandaan.

Pfff!!! Jezus! Opgelucht hapte ik naar lucht. Bang voor een vogeltje; er ontsnapte een zenuwachtig lachje. Niet goed voor mijn hart dit. Terwijl ik op adem kwam, viel mijn oog ineens op een stukje gras verderop. Dat was raar… Een vierkant stukje groen gras. Ik liep erheen en bukte; plastic. Voorzichtig tilde ik het op en ik voelde mijn hartslag weer omhoog gaan. Mijn adem stokte. Onbeweeglijk staarde ik naar het houten luik. Mijn omgeving leek te verdwijnen. Te laat realiseerde ik me dan ook dat er een geluid richting het eiland was gekomen. Te laat hoorde ik de voetstappen achter me. En te laat draaide ik me om. De klap op mijn achterhoofd kwam ongenadig hard. Machteloos viel ik neer op het houten luik. Het laatste dat ik zag, waren de enorme, ijzeren sloten.

Ik zuchtte… Die dag stond in mijn geheugen gegrift. Keer op keer speelde het door mijn hoofd. Hoe had ik zo dom kunnen zijn? Was ik die dag maar gewoon thuis gebleven. Waarom moest ik altijd zo ontzettend nieuwsgierig zijn? En waarom was ik zo onoplettend geweest? Stom, stom, stom! Ondertussen was die ene dag al lang geleden; 828 dagen geleden om precies te zijn.
828 dagen zat ik in deze donkere, ondergrondse hel op een onbewoond eiland.
828 keer had ik het geklik van de sloten gehoord en was na luid gekraak het luik opengegaan.
828 keer was hij naar beneden gekomen en had hij zonder iets te zeggen eten en drinken neergezet.
828 keer had ik me kleingemaakt in een hoekje, ook al wist ik dat het geen verschil zou maken in wat er daarna zou gebeuren. Al 828 keer … Een traan rolde over mijn wang.
828 keer had ik hem vergeefs gesmeekt om me te laten gaan, maar 828 keer was hij stilzwijgend opgestaan en weer vertrokken.

Maar vandaag had ik een onbestemd gevoel… Ik kon het niet plaatsen. Vandaag was anders… Vandaag bleef voor de eerste keer in 828 dagen het luik dicht. Aarzelend pakte ik een steentje en draaide het een paar keer rond. Met een brok in mijn keel kraste ik een streepje op de muur… 829…